De man van wie ik de autobiografie moest schrijven (2)

vlaaiDe man van wie ik de autobiografie moest schrijven maakte een weids gebaar. ‘Dit is mijn levenswerk.’ Ik keek om me heen en zag voornamelijk mislukte wandschilderingen. ‘Fresco’s,’ fluisterde hij. Ik liep naar een van de muren toe en concentreerde me op de afbeelding van een mongoloïde engeltje met een tuinbroek aan. ‘Juno,’ zei de man, ‘de heerseres van de hemelen en de godin van het huwelijk. In mijn werk hangt alles samen met alles.’

Hij was de uitbater van een Italiaans restaurant in Roermond. Het vele geld dat hij daarmee had verdiend wilde hij deels in een boek over de frescokunst, die hij nu al dertig jaar actief beoefende, steken. Als ghostwriter had een uitgever mij naar voren geschoven. Hij liep naar een kastje in de hoek van de ruimte en haalde een fles sterke drank tevoorschijn. ‘Grappa. Het vocht waar zelfs goden niet vanaf kunnen blijven. Een glaasje?’ Ik knikte. Hij schonk in en we klonken.

Na een uitleg van ongeveer drie uur, waarna de mythologische figuren voor mijn ogen dansten, noodde de man me in zijn kantoor. Hij ging zitten en wees me mijn stoel. Na een paar telefoontjes die hij ‘dringend’ moest afhandelen, keek hij me enige minuten peinzend aan, voordat hij ter zake kwam.

‘Schrijvers hebben, net als ik, een passie.’
Ik voelde meteen waar dit op uit zou draaien.
‘En passie is niet in geld uit te drukken.’
Zie je wel.
Ik zei: ‘Maar het vuur van de passie moet wel brandend gehouden kunnen worden.’

Natuurlijk begreep hij me volkomen. Maar hij kende ook schrijvers, en hij noemde geen namen, die het een eer vonden om voor hem te werken. Schrijvers van naam en faam, die hij had leren kennen in zijn restaurant, waar de fine fleur van de Nederlandse kunstwereld menigmaal aanschoof. Hij haalde de offerte van mijn uitgever tevoorschijn en wees op de post: ‘Research.’
‘Ik heb alle research al gedaan. Dat hoef jij niet meer voor je rekening te nemen. En waarom zou je er drie maanden over schrijven? Dat kan allemaal veel korter.’

Ik had op dit moment liever tegenover Jos van Rey gezeten. El Rey had me misschien wel een oor aan proberen te naaien, maar we waren er op den duur wel uitgekomen. Half wit en half zwart. Dit werd helemaal niks meer. Dit was nog hopelozer dan de fresco’s van de restauranthouder. Ik stond op.

‘Wat gaat u doen?’

Ik zei dat ik helaas niet in de positie was om te onderhandelen over de prijs. Dat hij dat bovendien al met mijn uitgever had gedaan en dat hij me de lange reis tussen Roermond en Utrecht, net als die rondleiding langs zijn kleurplaten, beter had kunnen besparen. Het kwam er misschien een beetje fel uit, dat zou best kunnen. Een paar dagen later kreeg mijn uitgever een brief waarin over mij werd geklaagd en waarin hij de uitgever een oplichter noemde. Die moest daar aan de telefoon om lachen. ‘Het klopt allebei. Jij bent een deugniet en ik een oplichter.’

Op de terugweg naar het station kocht ik een Limburgse vlaai, abrikozen met latjes, bij een heel fijne bakkerswinkel. En een doosjes panatella’s in een van de mooiste sigarenzaken die ik ooit heb gezien.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s