De man van wie ik de autobiografie moest schrijven (1)

De man van wie ik de autobiografie moest schrijven, woonde in een vrijstaand huis aan het einde van een laan in Zeist. Ik stond een paar minuten op afstand naar de fraaie villa uit de jaren dertig te kijken en besloot mijn tarief een beetje op te schroeven. Voordat ik het hek opende en het tuinpad opliep, knoopte ik mijn colbertje dicht. Ik was bereid om mijn huid en mijn tijd zo duur mogelijk te verkopen en wist dat juist een schrijver, ook al is hij een arme sloeber, in dit geval de schijn moet ophouden.

Een minuut na het belsignaal hoorde ik iemand op me aflopen. Een oude heer in een grijs pak opende de deur. Ik stelde me voor en gaf hem een hand.
‘Mijn naam is Bruinsma. Ik ben de butler.’
‘Ah, ik dacht dat u mijn cliënt was.’
‘Dat dacht u dan verkeerd, meneer Breukers. Mag ik u voorgaan?’

Halverwege de gang opende Bruinsma een deur. Hij liet me binnen en ik verdween in het halfduister van een grote, langwerpige kamer. Tegen de korte wand links van mij stond een ziekenhuisbed. Op het nachtkastje stond een kleine lamp. Er lag een heel erg oude man, meer vel dan mens, op het bed, gekleed in een streepjespyjama.
‘Gaat u maar naar meneer toe. Hij kan u verstaan en is compos mentis.’
Ik pakte de hand van het bundeltje pezen en organen en hield die enige tijd vast. De man murmelde iets.
‘Hij zegt dat u hem als Kanselier moet aanspreken, als u dat gaat doen. Wilt u nu alstublieft in die stoel gaan zitten, naast het bed? Dan haal ik iets te drinken.’

Bruinsma verdween en ik ging zitten. Nu mijn ogen aan het halfduister gewend waren, kon ik beter zien waar ik me bevond. De hele kamer stond vol met zwaar meubilair uit de jaren dertig. Boven het bed hing een portret van iemand in een ss-uniform. Een blonde man met een haakneus en een priemende blik. Aan de lange wand hingen nog meer afbeeldingen, onder meer van Heinrich Himmler.

Ik was gewend aan allerlei situaties. Wie zoals ik om geld te verdienen soms moet afdalen in de kelders van het schrijven, is niet snel verbaasd. Toch voelde ik me hier een beetje ongemakkelijk. Niet alleen om al die wel erg dik erbovenop liggende oorlogssymboliek, maar vooral om de afgeslotenheid die alles uitwasemde. Als ik hier meer dan een maand vijf dagen per week moest doorbrengen, was ik na afloop in staat om zelf ‘Heil Hitler’ te gaan roepen, en ik wist niet of dat de bedoeling was.

De wijn die Bruinsma had meegebracht en voor mij uitgeschonken, smaakte goed.
‘Dit is een Grüner Veltliner, uit Oostenrijk. We importeren die speciaal voor de gasten van de Kanselier.’
‘Proost, heren.’
Bruinsma klakte met zijn hakken en boog het hoofd. De oude man in het bed hief zijn rechterarm en zei: ‘Heil.’
‘Heil?’
‘Ja, Heil,’ zei Bruinsma.
‘Als in Heil Hitler?’
‘Nee, gewoon Heil. Meer niet. Als we dit glas ophebben, zullen we zo langzamerhand eens beginnen. Ik neem aan dat u alles bij u heeft? Om een uur wordt het eten geserveerd. Ik neem aan dat u er geen bezwaar tegen heeft als we een vegetarische maaltijd gebruiken?’

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s