Kettingrokers sterven uit

437cfeeff98c330bbb01a07b77b873d1Een koppenmaker met humor – ‘Kettingroker sterft uit, jongere rookt af en toe peuk’ – bracht me even terug naar mijn jeugd. Toen rookte iedereen. Jean Paul Sartre rookte. Joop den Uyl en Hans Wiegel rookten. Alle tv-presentatoren rookten, ook als ze op tv waren. Mijn ouders rookten. Bijna al mijn ooms en tantes rookten, wat zeg ik: rookten ketting. Als er familiebijeenkomsten waren, stond de woonkamer letterlijk blauw. Mijn opa’s rookten. Alleen mijn ene levende oma rookte niet. Zij rookte mee en is aan longkanker overleden.

Roken was toen zoiets als naar Netflix kijken nu is. Iedereen deed het. Mannen rookten Caballero zonder filter. Vrouwen Belinda of Stuyvesant. Opa’s rookten pijp of een sigaar. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat hoorde je het vrolijke geluid van afgestreken lucifers en raspende aanstekers. De hoestbuien die soms opklonken, werden met een vrolijke glimlach weggewoven. Het was niks. Niks wat niet kon worden gerepareerd door nog een keer op te steken. Ik heb een foto van mijn opa die naast mijn wieg een pijp staat te roken.

Toen ik jong was, had ik astma. Niet een beetje, maar flink. Daarom stond ik onder behandeling van een longarts die me toen ik drie en vier jaar oud was twee keer een maand naar het ziekenhuis stuurde. Hij heette J. van Voorst Vader en was voor mij een kruising tussen de wrekende God uit het Oude Testament en een Goede Herder. Hij kon me met een vingerknip opnieuw naar het ziekenhuis sturen, iets waar ik jarenlang bang voor ben geweest, en hij kon me genezen.

Ik was zestien toen hij met pensioen ging. Blijkbaar hebben mijn ouders hem iets gestuurd, want in een bedankbriefje noemde me ‘mijn goede vriendje Chrétien’, iets wat ik al die jaren aantoonbaar niet was geweest. Hij was de heerser in mijn astma-universum, de man met de bijl en de zaag, de verstrekker van pillen en Ventolin. Geen vriend. Ik kreeg een andere longarts en vergat Van Voorts Vader, of beter: ik verdrong hem.

Totdat ik hem een paar jaar geleden terugvond via Google. Hij had meegedaan aan een aflevering van Andere Tijden, als fanatieke anti-rookdeskundige. Ik zag hem en dacht: Wat een aardige man eigenlijk. Op dat gezeur over roken na. Vanuit zijn beroepsperspectief is dat wel te begrijpen, en toch denk ik dat hij het net een beetje te veel overdreef. Hij was in zijn opvattingen over roken enigszins geradicaliseerd, zou je kunnen zeggen. Alsof hij zijn eigen vak grotendeels overbodig wilde maken, koste wat kost.

Als je op consult ging in zijn praktijk in Eindhoven, moest je plaatsnemen in een wachthokje. Dat was met een dunne deur gescheiden van zijn praktijkruimte. Je kon alles horen wat hij tegen de patiënt die net aan de beurt was zei. Eén keer hoorde ik hem een donderpreek geven tegen iemand die een pakje sigaretten in de bovenzak van zijn jasje had meegedragen. De donderpreek duurde ongeveer tien minuten en ik werd tijdens het luisteren ernaar misselijk van angst.

Toch rook ik nu af en toe een sigaar. Niet vaak. En elke keer als ik het doe, denk ik aan dr. J. van Voorts Vader. Mijn roken is een vorm van subversiviteit, wortelend in het kinderlijke. De longarts is pas een jaar of vier geleden op zeer hoge leeftijd overleden. Nooit een dag ziek geweest natuurlijk.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s