Recensie Hotel Rozenstok

Een recensie van Hotel Rozenstok, verschenen in Staalkaart #30

Literatuur is oorlog. Over Hotel Rozenstok van Christophe Vekeman

De Vlaamse literatuur heeft een luxeprobleem. Kristien Hemmerechts, Herman Brusselmans, Tom Lanoye, Erwin Mortier, Margot Vanderstraeten, Ann de Craemer, Annelies Verbeke, enfin, de lijst is eindeloos uit te breiden, en alle Vlaamse auteurs die ik noemde en niet noemde zijn boeiender dan bijna al hun Nederlandse collega’s. Waar het aan ligt, ik weet het niet, maar de Vlaamse literatuur lijkt me levendiger (en stilistisch interessanter) dan die in de Noordelijke Nederlanden.

En dan heb je nog Christophe Vekeman. Een sympathieke schrijver. Iemand wiens boeken je met een glimlach oppakt en met een glimlach weer weglegt (maar pas na de laatste bladzijde te hebben gelezen). Dat is zijn grote kracht én zijn valkuil. Want sympathieke schrijvers zijn, nu ja, sympathiek, maar wat heeft de gemiddelde lezer aan sympathieke schrijvers?

Enerzijds is Vekeman volledig literair, inclusief zijn voorkeuren voor een schrijver als W.F. Hermans, anderzijds weet hij op tijd wanneer hij moet veranderen in een schat van een man, die van zijn vrouw houdt en het het beste voorheeft met de wereld en beste maatjes is met Tommy W. en Peter T. Hij kent mensen, Christophe, die zelf ook mensen kennen, en samen knopen ze een netwerk. Waar ook niks mis mee is, al beklaagt Vekeman zich er in zijn nieuwe roman over dat hij weinig succes heeft.

Zijn stijl is een vorm van lucide zeuren die, in de verte, doet denken aan die van Bohumil Hrabal, maar die is aangelengd met enige delen Tom Lanoye (en soms met een scheutje Herman Brusselmans). Lange zinnen die gaan waar ze willen, hoewel niet vrij van effectbejag. Soms geestig, soms melig. Altijd erg goed geschreven en de vaart hoog houdend. Zinnen die je regelmatig doen verzuchten: Ja, schreven maar meer schrijvers zo, dan was de literatuur over het geheel genomen minder vlak; deze schrijver heeft een verzorgde stijl, en dat is een verademing.

Hotel Rozenstok is het verhaal over een schrijver die Christophe Vekeman (hé) heet en die stopt met schrijven. Hij heeft er genoeg van. Hij oogst niet de successen waar hij recht op heeft, de successen die collega’s van hem wel oogsten, en hij heeft ook wel een beetje genoeg van al die mensen om hem heen die wél succes hebben en ineens niet meer in de literatuur geloven, maar de succesvolle schrijver gaan spelen en het publiek willen behagen.

Maar ja, een schrijver van 41 die iets anders wil gaan doen, wat staat hem te wachten? Hij kan niks en alle pogingen van Vekeman om aan een baantje te komen mislukken dan ook. Dat levert voor het boek zeer fraaie passages op. Zeker als hij bij de Christelijke Mutualiteiten kantoorbediende wil worden en het sollicitatiegesprek volledig verkloot. De mevrouw die hem te woord stond voegt hem bij het afscheid nemen nog toe: ‘Dit is… dat wil ik u… dat moet u toch beseffen…[…] U moet toch wel weten, dit is het échte leven, mijnheer…’

Het is het echte leven, waar we in dit boek kennis van nemen. Dat wil zeggen: het echte leven, zoals Christophe Vekeman ons dit wenst te presenteren. Toch is het interessant om hier even dieper op in te gaan, want iets na het midden van het boek zegt Vekeman, het personage, daar iets interessants over:

Schrijvers die, in interviews, het woord ‘verhalen’ in de mond namen, en dit in een zinsverband dat wilde zeggen dat wij mensen verhalen nodig hadden, of dat de tijd van de grote verhalen weer terug was, of juist niet, of dat schrijvers tegenwoordig weer zin hadden, of niet, om gewoon verhalen te vertellen, wel, die schrijvers moesten dood, dat was mijn persoonlijke mening. Laat staan dat ik naar een verhaal op zóék zou gaan!

Dus Hotel Rozenstok is geen boek met een verhaal, godbewaarme, het is een uit het echte leven gerukt stuk tekst, waarin Christophe Vekeman vertelt over Christophe Vekeman die met schrijven stopt (en met drinken), en daarom ter bezinning afreist naar het in Noord-Nederland gelegen stadje (of dorp) L., waar hij zijn intrek neemt in Hotel Rozenstok, gedreven door een merkwaardig koppel en voorzien van een eigen hotelspook. De vrouw werkt op Vekemans libido, de man roept minachting op. De rol van het hotelspook blijft tot op de laatste bladzijden onduidelijk.

Toch vertelt Vekeman wel degelijk een verhaal. En misschien is dat nu net wat zijn nieuwe roman minder maakt dan hij zou kunnen zijn. Tot op twee derde laten we ons gemoedelijk meedrijven op de soms brisante stijl, daarna gaat Vekeman alle losse eindjes wegwerken en werkt hij naar een catharsis toe, een catharsis die zelfs met een gelukkig einde gepaard gaat.

En dat moeten we niet willen.

Niet omdat een gelukkig einde niet kán, in de literatuur, maar omdat een gelukkig einde van alle kunstgrepen toch wel de flauwste is. Als je een boek wil schrijven met een gelukkig einde, moet je wel erg sterk voor de dag komen. Vekeman komt helaas niet erg sterk voor de dag, want alles waarmee hij bouwt aan dat toekomstige einde, het slotdeel van zijn roman, is flets en vaal en haalt de briljante passages die de lezer al achter de rug heeft volledig onderuit.

Vekemans boek gaat over het maken van keuzes. Voor de literatuur of voor het leven? Dat hij bij de literatuur terugkomt, wil niet zeggen dat hij volledig voor de literatuur kiest. Net voordat hij zijn boek richting het onvermijdelijke, en zoals gezegd tegenvallende einde duwt, verliest hij zich in bespiegelingen over de manier waarop aardige mensen uit zijn vrienden- en kennissenkring in zijn werk terechtkomen, werk waarin ze altijd negatiever worden afgeschilderd dan ze in het echte leven zijn. Hij vervolgt dan:

(…) was ik gewoon een slechte schrijver geweest, een oneindig veel slechtere schrijver dan ik zelf altijd gedacht had? Dat was mogelijk: geen schrijver kon het ooit voor elkaar brengen een door hemzelf geschreven tekst voor de eerste keer te lezen, en van een objectief of althans onbevangen oordeel van zijn kant over zijn eigen boek of boeken kon dus absoluut geen sprake zijn, het bleef nattevingerwerk. De beste schrijvers waren wellicht degenen die voortdurend twijfelden aan de kwaliteit van wat zij aan het maken waren, en wellicht waren het ook juist deze twijfels die zo buitengewoon veel schrijvers als het ware noopten hun toevlucht tot een ijzeren en onverwoestbaar zelfbeeld te nemen. Volgens L.H.Wiener vond iedere schrijver zichzelf, noodgedwongen dus, de beste schrijver ter wereld, en toen ik die stelling eens had voorgelegd aan mijn dear friend Peter T., antwoordde die met: ‘Ik vind mij inderdaad ook de beste schrijver ter wereld’.

Peter T. heeft gelijk. Een schrijver moet zichzelf de beste schrijver van de wereld vinden. Sterker, hij moet andere schrijvers allemaal niet de beste schrijver van de wereld vinden, want net als in andere vakgebieden draait het in de literatuur om ambitie en competitie. Talent is mooi en aardig, maar er moet ook gevochten worden. Literatuur is, net als voetbal, oorlog.

In die oorlog lijkt Vekeman te kiezen voor de vreedzame diplomatie. Voor het echte leven, dat (mooi gestileerd) in zeer vakbekwaam gemaakte boeken terecht komt. Hotel Rozenstok ‘gaat’ daarom niet alleen over een schrijverscrisis, al is het wel degelijk een boek waaraan een schrijverscrisis ten grondslag ligt, het is vooral een programmatische roman, waarin de entertainer én schrijver Vekeman zijn programma neerlegt.

Voor een volgend boek zou ik Vekeman aanraden om het ‘echte leven’ voorgoed achter zich te laten. Haal die vrienden en kennissen maar eens door het slijk. Denk aan W.F. Hermans, nooit te beroerd om de stilistische gesel over wie of wat dan ook te halen. Geloof dat je de beste schrijver ter wereld bent, of in elk geval de beste schrijver van Vlaanderen, beter dan al je goede vrienden die je een cameo gunt in je roman.

Want als Hotel Rozenstok een ding bewijst, is het wel dat het ‘echte leven’ de brandstof levert voor fraai proza, maar dat dit fraaie proza iets inzakt als Vekeman allerlei spelletjes ermee wil spelen. Literaire foefjes (het spookverhaal waarin de roman ontaardt) werken niet. Alléén als Vekeman zijn stijl op de spits drijft en zichzelf ter discussie stelt, krijgt hij vaart. Een zeldzame vaart.

Vekeman moet blijven schrijven. En die crisis recht in het gezicht uitlachen. Bij de Christelijke Mutualiteiten werken kan altijd nog. Niet drinken, dat kan altijd nog. Bovendien: blijf weg uit het stadje (of dorp) L., waar zich dat ook mag bevinden. Want als er daar maar zesentwintig mensen komen kijken naar een optreden van Tommy W. en Christophe Vekeman, dan is er iets behoorlijk mis in dat plaatsje, en dan is het al zeker geen goed idee om erheen te gaan voor een bezinningsperiode van zeventien dagen, zelfs niet als die bezinningsperiode al met al niet ongelukkig afloopt.

Vekemans zou zichzelf zijn eigen stijl net iets meer mogen gunnen. Hij heeft er recht op. Net als Wanda, in het boek de vriendin van het personage Christophe Vekeman, zou ik een liefhebber zijn van een boek waarin hij dat ten volle doet.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s