Lezen (77)

Ik herlees De Autonauten van de Kosmosnelweg. Tenminste, ik weet dat ik het boek herlees, maar ik kan me niet meer herinneren wat er gebeurde toen ik het voor de eerste keer las. (Een heldere beginzin, dat is het halve werk.) Wat ik nu wel, en toen niet, helemaal vanaf het begin besef: dat een van de twee schrijvers bijna zal sterven. Bij mijn eerste lezing ‘wist’ ik dat ook, maar het drong minder goed tot me door. Ik was toen nog niet gevoelig voor dat soort tragiek. Nu zie ik dat juist die aanstaande dood het fundament is van het hele boek, dat het naderende einde moet bezweren (door de tijd, tijdelijk, stil te zetten).

Het boek legt de reis vast die Cortázar en Dunlop maken langs de vijfenzestig parkeerplaatsen tussen Parijs en Marseille. Ze zien dingen, kopen nu en dan wat, logeren in motels en ontvangen bezoek. In tijd (iets langer dan een maand) en ruimte (de overzichtelijke afstand tussen de hoofdstad en het roversnest in het zuiden) gebeurt er niet zo veel, maar omdat de schrijvers het verhaal binnen dit stramien alle kanten op laten schieten, krijg je het gevoel dat je ALLES meemaakt, tijdens het lezen, – dat je via de verbeelding de ruimte van het boek in wordt gekatapulteerd.

Eind jaren negentig ben ik een paar weken in Marseille geweest, logerend bij mensen in de wijk bij de Oude Haven. Nu is het daar keurig gerenoveerd en zijn de huizen onbetaalbaar, toen waren de meeste huizen er aan het verzakken en werd de wijk vooral bewoond door studenten, white trash en Afrikanen. De straat heette Rue des Pistoles, een adres dat nog voorkomt in een boek van Jean-Claude Izzo. Het leefde en zinderde er, als in een hogedrukketel. Tegenover het huis waar ik mocht verblijven was een café. Op dinsdag was daar tangoles, buiten, op een geasfalteerd vierkant voor het terras. Staand op het balkon van het appartement zag je de wat oudere wijkbewoners die les hadden met elkaar dansen. De eigenaar van het geheel, een zeer rechte, grijze man die zo in Asterix en Obelix had kunnen meespelen, ging voor. Hij leidde zijn dame met trots.

De tweede keer dat ik naar de les stond te kijken, alleen op het balkon, met uitzicht op de haven en de zee, links de tangodansers, rechts op het plein verspreid zittend wat Afrikaanse moeders met hun kinderen, had ik een ervaring die ik niet kan benoemen, maar die iets met de eeuwigheid te maken had. Ik stond daar en wist: dit ga ik de rest van mijn leven niet meer vergeten. De duisternis, verlicht in de haven en op het plein bij het café, de donkere wolken in de lucht, met hier en daar een ster, de geruststellende woorden die de Afrikaanse vrouwen spraken als hun kinderen kwamen klagen, de tangomuziek die tegen de huizen aanbotste, alles, zelfs het idee dat er achter me drie mensen al in bed lagen te slapen en ik alleen op was, een fles rosé binnen handbereik, een sigaar rokend, af en toe even knikkend naar de kat die op het balkon in zijn mand lag, alles werkte mee aan het gevoel dat in mij ontstond en tegelijkertijd ver buiten mij lag, als een hogedrukgebied, of lagedrukgebied, dat doet er niet zo veel toe. De tijd verstreek en was opgeheven.

Gek genoeg moest ik tijdens het lezen van De Autonauten van de Kosmosnelweg steeds aan deze ervaring denken. Net als Cortázar en Dunlop lukte het me daar, heel even, om de onvermijdelijk verstrijkende tijd (die in hun geval definitief aan het verstrijken was) stil te zetten, juist door er een slinger aan te geven.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s