Zwemles (10)

Vandaag valt het eindoordeel. Mag ze over een week of drie afzwemmen, of niet. De spanning was, onderweg, te snijden.
‘Als ik niet mag afzwemmen, mag ik dan van zwemmen af?’
‘Nee.’
Et cetera.

Vandaag zijn de ouders ongekend baldadig. Paarden die de stal ruiken. Ze schreeuwen naar elkaar. De kinderen zijn van de weeromstuit rustig, alsof het gedrag van de ouders ze lamslaat. Ik probeer een boek van Schopenhauer te lezen en ben me bewust van de wat kokette daad die ik stel: hier zitten, een bal gehakt bestellen en Schopenhauer lezen. Maar ik vind het proza van Schopenhauer oprecht mooi.

Mooi? Ja, mooi.

‘De pen is voor het denken wat de stok is voor het lopen; maar de lichtste gang is die zonder stok, en het volmaakste denken voltrekt zich zonder pen. Pas als men oud begint te worden bedient men zich graag van de stok en graag van de pen.’

En nu? Lezen. En deze tekst afmaken, hoewel:

‘Het ongeluk met geestelijke verdiensten is dat ze moeten wachten tot het goede geprezen wordt door lieden die zelf uitsluitend het slechte voortbrengen; of eigenlijk alleen al dat ze hun kroon uit handen van het menselijk oordeelsvermogen moeten ontvangen, een vermogen dat de meese mensen in even grote mate bezitten als de castraat voortplantingsvermogen, met andere woorden een zwak en onvruchtbaar analogon, zodat ook dat oordeelsvermogen tot de zeldzame natuurgaven moet worden gerekend.’

De vijf vriendinnen, die ik over een paar weken nooit meer in deze samenstelling zal zien, spelen Wordfeud. Ze kijken alle vijf naar het scherm van hun telefoon.

De eigenaar van de restorette, een man met een glimmend bruin gezicht, een enorm mooi opgepoetste man, je zou hem vroeger een sjonnie hebben genoemd, roept iemand na: ‘Vergeet niet je vriendin van me te kussen.’

Iemand gooit een kop koffie om en begint bulderend te lachen.

Niet ver hier vandaan is de A2, de snelweg die me, mocht ik dat willen, binnen een uur of anderhalf naar mijn geboortestreek kan brengen. Alleen: ik kan niet in een auto rijden, omdat ik dat nooit heb geleerd.

In mijn gehaktbal zit een heel klein stukje van een servet. Ik probeer er omheen te eten.

In de kleedkamer. T… komt glunderend binnen. Ze heeft een briefje bij zich. Ze mag afzwemmen. ‘Ik kon twee keer door het gat.’ De kinderen zijn al net zo baldadig als de ouders. Het zit in de lucht.

Nog twee lessen op een woensdag en dan, op de zaterdag, het afzwemmen. Wat ik me daar bij moet voorstellen? Ik heb geen idee, maar je mag oma’s en opa’s en andere familieleden meenemen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s