Zwemles (9)

De man tegenover me (waarom is hij tegenover me gaan zitten?) eet een frietje speciaal, met de inzet van al zijn kaakspieren. Ik word langzaam onpasselijk. Zou het erg onbeleefd zijn om aan een andere tafel te gaan zitten? Of moet ik dit leed gewoon tot een goed einde brengen?

Na een gemiste les voel ik me vandaag niet meer helemaal thuis in dit gezelschap. Niet, dat ik me tot vorige week wel thuis voelde, maar nu ben ik me bewust van mijn desertie. Het lijkt wel of de rest van de mensen een front vormt, een groep die een geheim bewaart waar ik geen toegang toe heb.

Ik moet denken aan wat Leonard Nolens ooit schreef: ‘Ieder land moet minstens tien mannen onderhouden die denken voor (en gedeeltelijk in de plaats van) de bevolking; tien wijzen zonder beroep, die dag in dag uit bezig zijn, elk voor zichzelf, op te schrijven wat er gebeurt in en rondom hen.’

Was het maar zo gemakkelijk (en was ik maar die ene mens die dat voor dit gezelschap mocht doen. Ik verwacht niet dat ik door te schrijven dichter bij de wachtende ouders kom. Sterker: ik denk niet dat dit de, nee: mijn bedoeling is.

Ik kan me zelfs niet voorstellen dat ik zoiets bij wijze van ironie zou durven opschrijven. Het is Nolens, en die is niet bang voor een groot woord, maar als er al iets gezegd kan worden over wat er ‘rondom hen’ gebeurt, dan zal dat niet van een wijze man afkomstig zijn, of van een schrijver.

Dan nemen ze zelf het woord. Het perkament verkruimelt terwijl we schrijven, meneer Nolens. Niets blijft, behalve de inzet die we hebben getoond – als we geluk hebben. En Harry Potter en Perkamentus zijn tovenaars, die spelen in een andere divisie.

De lessen beginnen me zwaar te vallen. Na tien keer in vreemd, mij vreemd gezelschap weet ik het wel. Volgende week krijgt T.. te horen of ze mag afzwemmen, – ze denkt zelf dat het niet zal lukken. Er schijnt nog van alles te ontbreken op de lijst met dingen die ze ‘moet kunnen’.

De vrouw die de gehaktballen verzorgt veegt de tafels die vrij zijn schoon. Ze kijkt erbij of ze ergens anders aan denkt, aan haar man en kinderen misschien; misschien maakt ze zich wel zorgen, of is er op persoonlijk vlak van alles dat haar dwarszit. Ook al is ze aan de lopende band bezig, ze maakt een afwezige indruk.

Een jongen maakt ruzie met zijn moeder en noemt haar ‘trut’. De gelatenheid van de moeder is erger dan de agressie van het mannetje. Ineens ben ik, misschien omdat de lessen me beginnen te vervelen, bijna-moordlustig. In gedachten geef ik zowel moeder als zoon een lel en zet ze, ruw, de ruimte uit.

Het jongetje krijgt een glas appelsap en gaat, min of meer gekalmeerd, zitten.

Ik heb mezelf altijd voorgehouden dat ik van kinderen houd, dat ik kinderen graag zie, althans, dat ik geen hekel aan ze heb. Hier wordt dat beeld op de proef gesteld, aangevreten, langzaam uitgehold. Er is te weinig afstand.

De vijf vrouwen zitten elkaar, alsof het apen zijn, te vlooien. Met woorden. Misschien zou een wijze man kunnen omschrijven wat hen beweegt, maar ik zie wat ik zie: vijf vrouwen die zich vlooien. De baby ligt op tafel en stoot een glas spa om.

In een mini-column voor de VPRO-gids heeft Wim Brands het kort geleden over Liefde en Goudvissen, de roman van Jacques Gans. Ik herinner me nog precies wanneer en waar ik het boek voor het eerst las: in Leuven, waar ik toen vijf maanden woonde, in een kot van 2 bij 2,5 met op de deur een bordje ‘Nooduitgang’.

Bij De Slegte ter plekke lagen toen een paar heruitgaves van Gans’ werk, die ik allemaal voor rond de 100 frank per stuk heb gekocht: Het pamflet, weekblad tegen het publiek, Berlijns Dagboek, 1931-1933, Liefde en goudvissen en Het vege lijf. Ik las ze alsof het brieven waren, aan mij persoonlijk gericht, boeken met een bordje ‘Nooduitgang’ erop. Boeken van een dwarsligger met een licht-sentimentele inborst: een Paul Láutaud op polderformaat.

De dwarskop Gans, met zijn slechte reputatie, is nog steeds een Geheimtipp, een schrijver die het zou verdienen om uit de marge te worden geduwd, richting literair centrum (als dat nog bestaat). Zijn stijl, zijn manier van ageren, zijn lust om tegen te zijn, zijn spitse redeneertrant: ze maken bijna alles wat hij schreef, zelfs als het over vakanties met de huifkar ging, onweerstaanbaar.

De briefwisseling die hij onderhield met E. du Perron is uitgegeven onder een titel die het allemaal wel samenvat: Als het moet, alleen tegen de geheele wereld. Gans heeft precies op die wijze geleefd: als schrijver van (helaas) maar twee romans, als columnist van De Telegraaf (wat hem niet in dank werd afgenomen, al had hij veel fans, onder wie A. Roland Holst, hoewel die ook niet heel links was) en als tientjes bietsend drank- en vreetorgel.

Hoe zou Gans zich hier hebben gered? Ik denk: beter dan Nolens.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s