lezen (70)

Onderstaand gedicht is van Dries Janssen, een schrijver en dichter uit Belgisch-Limburg. Blijkbaar was hij het dialect van zijn jeugdjaren, in Eisden, niet verleerd.

Ik vind het gedicht mooi. Dat ligt aan een paar dingen. Aan de taal natuurlijk, die me heel dicht terugbrengt naar mijn jeugdjaren, waarin ik dialect sprak, een dialect dat niet veel verschilt van wat ik hieronder lees. Niet verwonderlijk: Eisden en Leveroy liggen niet zo heel ver van elkaar. Dat is echter emotie, en het zegt op zich niets over het gedicht zélf.

Rijmdwang is meestal geen teken van sterkte, maar als ik dit gedicht lees weet ik ineens weer waarom Limburgs dialect en rijm zo goed samen gaan: het dialect leent voor zangerigheid, en rijmerigheid. Die soms een beetje over de rand is, maar mij niet irriteert. De mooie woorden in dit gedicht kunnen die rijmdwang wel handlen.

Wat me precies raakt in dit gedicht, is volgens mij: Janssen gaat erin eens uitgebreid terug naar een verloren wereld. Die hij in die zangerige rijmen voor ons oproept. Beeld na beeld en zin na zin zie je die wereld voor je ogen ontstaan; waarbij het alweer tot voordeel strekt dat ik uit ongeveer zo’n dorp als Eisden kom.

Hoogtepunt vind ik deze regels:

Onger water beej ’t lesj
het spartele van de vesj
tusje kroet en stein…
’t Wèègske door de koel,
de kanadaas, de wouke
en van de bekkereej het rouke
van de sjouw, e dreevend sjeep…
En op den diek een vrouw:
mie moeder met mie breurke
dè pas leep…

Dat is bijna Nijhoff; ineens probeert de dichter zijn moeder tevoorschijn te toveren, die op de dijk loopt met zijn broer (die net kan lopen). Heel even tilt de dichter het laken van de eeuwigheid op en verschaft ons zicht op wat daar te zien is. Een moeder. Familie.

Maar de dichter heeft meer troeven in de hand, zoals deze: ‘van de sjop vol vunkelhout en kole, / de mosem met spenne in de hek / en struuk vol kronsjele en wiemerte, / ne proemebaum beej ’t brèèrke… / M’n ieste speelgoodbèèrke, / een ampvel uve en ne kokkerel, / blaore van nietele en ‘omezeike / op m’n kute, de was dè lik te bleike, / geur van pas gemeijd graas en devverel…’

Dan zitten we niet meer bij Nijhoff, maar bij Hubert van Herreweghen of zelfs een beetje Jos de Haes. De klankrijkdom, de mooie woorden die hij op elkaar stapelt. Het is prachtig. En dan weet ik nog niet eens wat ‘een amvel uve en ne kokkerel’ is.

Maar definitief weet de dichter mij voor zich te winnen door de twee slotregels. Waar de meeste dichters in weemoed zouden verzinken, noteert Janssen: ‘O as ich dao aan trukdenk, / waat duit ’t good, waat duit ’t good!’ Hij is geen tobber, die de verdwenen wereld heeft opgeroepen om erin te kunnen zwelgen, nee, hij neemt er nog eens een teug van en denkt met groot plezier terug. Het doet hem, en de lezer, goed.

Waat duit ’t good

Dit gedich in ’t Eisders hub ich gesjreve ter naogedachtenis a mie vader, Mertien van Sjanke Janssen, de brukwachter (1893-1961), en a mie moeder, Jenette van Doorke Berben oet Vuch (1900-1975)

Zoe dek denk ich nog truk
aan ’t smaal kanaal
en aan de liege bruk
deej me vader dreijde…
Achter den diek de zaal
en ’t hoes van Venke…
Weer zeen ich het zenke
van de zon achter de lenjebäum in bleuj
woe-in de weind zach weijde
de weij met vief, zes keuj
En onger den eulenteule
een hiel klein veule,
dansend op zin bein…

Onger water beej ’t lesj
het spartele van de vesj
tusje kroet en stein…
’t Wèègske door de koel,
de kanadaas, de wouke
en van de bekkereej het rouke
van de sjouw, e dreevend sjeep…
En op den diek een vrouw:
mie moeder met mie breurke
dè pas leep…

Den ‘innenstal, ’t deurke
van de sjop vol vunkelhout en kole,
de mosem met spenne in de hek
en struuk vol kronsjele en wiemerte,
ne proemebaum beej ’t brèèrke…
M’n ieste speelgoodbèèrke,
een ampvel uve en ne kokkerel,
blaore van nietele en ‘omezeike
op m’n kute, de was dè lik te bleike,
geur van pas gemeijd graas en devverel…

Ne plezèèrboet in de zomer
en vesjers van hoegerop oet Luuk,
èèrpelekroet dat brandt
en dat ich noow nog ruuk,
knije en han’ nog zwarter as nen hood…

O as ich dao aan trukdenk,
waat duit ’t good, waat duit ’t good!

Advertenties

7 gedachtes over “lezen (70)

  1. Waat duit ’t good, deze van emotie en poëzieliefde doortrilde blogpost! Adembenemend lieflijk gedicht, hartverwarmend doorleefde bespreking.

    Herinnering aan mijn moedertje, aan haar dialect, aan haar stukjes verhaal over haar jeugdjaren, over de was dè lik te bleike, over èèrpele, kronsjele en wiemerte, ne plezèèrboet in de zomer, …

    En wat “een ampvel uve en ne kokkerel” betreft, ik zou het ook niet weten wat dat betekent. Speelgoed? Of iets totaal anders? ‘k Probeer het zo goed mogelijk voor me uit te spreken, het wil niet lukken.

  2. Het doet me echt deugd deze website tegen te komen met het Eisderse gedicht van mijn vader. Ik heb de voordracht van het gedicht (door hem) zelfs op video staan, maar kan er ook audio van maken, enkel weet ik niet hoe dat zit met auteursrecht en SABAM…
    Paul Janssen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s