Ongelovig katholiek – Pinksteren

Hoewel niet van belang ontbloot, hing Pinksteren er als feest altijd een beetje bij, als het vijfde wiel aan de wagen na de Adventstijd, Kerstmis, Pasen en Hemelvaart. Hoewel het begin van de christelijke kerk werd gemarkeerd, deden wij er weinig aan. Zelfs onze pastoor haalde niet het onderste uit de liturgische kan, als ik het me goed herinner.

De passage waarin de Heilige Geest zich uitstort staat in het boek Handelingen en gaat zo:

1 En als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen.
2 En er geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten.
3 En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen.
4 En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.
5 En er waren Joden, te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen van allen volke dergenen, die onder den hemel zijn.
6 En als deze stem geschied was, kwam de menigte samen, en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken.
7 En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich, zeggende tot elkander: Ziet, zijn niet alle dezen, die daar spreken, Galiléërs?
8 En hoe horen wij hen een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn?
9 Parthers, en Méders, en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotámië, en Judéa, en Cappadócië, Pontus en Azië;
10 En Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de delen van Libyë, hetwelk bij Cyréne ligt, en uitlandse Romeinen, beiden Joden en Jodengenoten;
11 Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken.
12 En zij ontzetten zich allen, en werden twijfelmoedig, zeggende, de een tegen den ander: Wat wil toch dit zijn?
13 En anderen, spottende, zeiden: Zij zijn vol zoeten wijns.
De slotverzen geven het geheel iets lacherigs: men kon het, letterlijk, niet geloven: ‘Wat wil toch dit zijn?’ Wat mij betreft is dat meteen ook de paradox van het feest: hoewel de Heilige Geest vaardig wordt over de aanwezigen, en zij zich in alle mogelijke talen verstaanbaar kunnen maken, is er altijd iets dat onuitgesproken blijft, of moet blijven. Iets wat zelfs de Heilige Geest niet kan zeggen. Iets dat de taal nooit kan grijpen.
Misschien hadden wij, leden van een verkruimelde kerk, dat wel door, toen, in de jaren zeventig. Wij konden het letterlijk niet geloven; en iedereen die wel in tongen sprak, hielden we voor dronken. Over dat geheim, over wat onzegbaar blijft ook al is er iets of iemand dat alle talen kan spreken, schreef ik, als ik zo onbescheiden mag zijn, een gedicht. Het heet ‘Tongebreek’ en gaat zo:

Tongebreek

Wij konden ons verstaan. Wij stemden met ons in.
Toen brak van één de tong. Hem sloeg de taal uiteen.

Het was een stille dag. Wij wisten het nog niet.
Wij zouden snel verspreid. Wij zouden ruw verstrooid.

Wij zouden weg van huis en haard. Onze vaders
achterlatend naar een verre streek. Zonder naam

en met een dikke strot. Mompel klonk voortdurend
om ons heen. Gelach. Geklaag. Gebed. Geteem.

De wereld was zo groot. Wij werden her en der
gemoord. Geduld. Gehoord. Zij konden ons verstaan

en deden dat met harde hand. Of zacht. Of niet.
Wij bouwden ons een huis. Maar wat geen spraak beschrijft

hangt als de – hangt voornaam – hangt – hangt nog
als een nevel – steekt als een angel in de keel.

Uit: Tongebreek & Niemendal

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s