Zwemles (2)

Een vol café, want buiten regent het. De meeste ouders bestellen niets, of zo weinig mogelijk. Meegebrachte etenswaren (een banaan, een liga, iets onduidelijks) worden in kinderen geschoven en de tuitbekers met appelsap staan gezellig naast de kopjes munt- of rooibosthee. Of gewone thee, dat komt ook voor.

Uit balorigheid bestel ik twee keer een koffie verkeerd. Ik heb zin in een broodje bal, met mosterd, zo’n balletje uit de jus… maar dat mag niet, want ik ben op mijn manier op dieet.

Ik zit aan de leestafel, naast een vrouw met een tijgerblouse (type: ‘in mijn jeugdjaren at ik ze allemaal óp’).

Soms verschijnt een ander aan tafel en zoekt iets te lezen uit. Dat kan niet in alle rust. Bladen worden uit een stapel gerukt en weer teruggesmeten. Gezucht. Gemopper. Tot ze, soms zonder tijdschrift, terugkeren, naar hun kind(eren).

Een jongetje van een jaar of twee zit in een witte kinderstoel van de IKEA. Hij schreeuwt, om de paar minuten. ‘Wat is er dan?’ zegt zijn moeder. Die hem niet tot stilte maant.

Is dat een knappe vrouw, daar verderop? Die vrouw met die licht-bruine huid, een Hindoestaanse? Nee, toch niet. Het is de ordening van de zwemles die maakt dat we hier in vereniging zitten, wij, genetische restproducten. Een gemeenschap van misschien nog niet, maar zeer binnenkort zeker wél teleurgestelde ouders.

Ik heb net Tirade 439 grotendeels gelezen, de Volkskrant (een artikel waarin Zwagerman AHJ Dautzenberg te grazen neemt, op zijn eigen Zwagermanglibberige manier) en probeer me, opnieuw, in te leven in de zestienjarige die ik ooit was en die al het geschrevene zo gretig tot zich nam.

Wel dapper: een jongen van een jaar of zestien die, tegenover me, de Aktueel gaat zitten lezen. Nee, niet lezen. Hij bekijkt de naaktfoto’s. Met aandacht, ik zou bijna zeggen: met smaak.

Na de les, in de kleedruimte. Een Nederlandse vrouw, vrij groot en bol. kort haar, een rond, klein gezicht. Heeft een donker kind dat heel druk is. Eerst denk ik dat het een jongen is. Een hard, gesneden gezicht. Uitstekende jukbeenderen. Kort kroeshaar. Tijdens het omkleden blijkt het toch een meisje te zijn. Met een tanig lichaam, net een jongen.

Het meisje is heel druk en heel erg snauwerig tegen de moeder. Het spreekt aan één stuk door, beveelt de moeder van alles, en op een gegeven moment laat ze haar oog vallen op een buurkind dat een broertje of zusje bij zich heeft. Begint dat kind ineens: ‘Is dat een zusje? Mama, ik wil ook een zusje, waarom trouw je niet en maak je geen zusje?’ En zo voort, met een hese, te oude stem.

Het kind stoot af, het is fysiek onaantrekkelijk, hard, en ik kan niet precies zeggen waarom – maar het is wel zo.

Soms denk ik, in het zwembad, aan de slacht zoals die vroeger werd opgevoerd op de boerderij van tante Marieke. Het varken, tegenstribbelend. Niet vanwege de naderende dood, maar tegen het licht waarin het werd gevoerd, het licht waaraan zijn ogen niet waren gewend.

Het offer van de slacht is de ruwe versie van de gedwongen doop, waaraan we onze kinderen overgeven.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s