Zwemles (1)

De Restorette bij Aquacenter Den Hommel. Ook te huur voor besloten feesten.

Een groep kinderen. Het zijn er acht. Mees en Lowry zijn de baas. De oudere mevrouw die ze moet begeleiden zet, vruchteloos, alle zeilen bij. Mees laat zijn broek zakken en heft zijn armen in triomf: ‘Olé, olé, olé.’Op zijn zwembroek: witten en zwarte zeilschepen.

Ik zou mild-glimlachend op dit tafereel neer moeten kijken, maar ik erger me en wens de etters wég.

Gelukkig duurt het niet lang, ze vertrekken richting zwembad.

Mooi is dit eigenlijk, met een notitieboek in een café. Ouderwets schrijven. De locatie is minder sexy maar je kunt niet alles hebben.

Daar zit ik dan, tussen de Nederlandse moeders, midden in de loopgraven van de moderne opvoeding. De kinderen zijn aan de winnende hand.

Ik ga me niet afvragen wat de zin is van dit alles. Ik ga me ook niet (meer) ergeren aan de mensen in dit café. Nee. Niet. Het zijn immers allemaal mensen en ja, je moet mensen altijd met respect behandelen (ook als ze schreeuwen naar elkaar, op drie meter afstand van mij, misschien wel: juist dan.) Het christendom is één lange oefening in verdraagzaamheid, dus waarom zou ik in hemelsnaam klagen?

De geur van chloor en frietvet. Een kind dat haar moeder ‘domme doos’ noemt en vervolgens een ijsje krijgt. De moeder zegt: ‘Het is een monstertje.’

Een man van ik schat dertig jaar, klein, gespierd, kort haar, vetert zijn vrouw uit. Ze heeft haar tas ergens laten staan. Op het terras voor het café, blijkt later, als ze het ding terughaalt. Hij heeft een blaffende stem. Heerser over vrouw en kind. Zoals het hoort.

De levenslust van heel kleine kinderen. De destructieve drift van kinderen ouder dan vier jaar. De uitgebluste ouders die het aanzien. Of die, als ze het niet aanzien, naar hun telefoon staren. Het zijn sterke genen die de paardrift achteraf zonder droefheid weten te dragen.

Het zwembad is in principe een plek waar mensen voor hun plezier heen gaan. Daar is hier vandaag, op deze mooie woensdagmiddag (licht bewolkt, 23 graden) weinig van te merken. In het zwembad klinkt de chimpanseeyell van kinderen, hier in het café zitten wat volwassenen te kijken alsof ze thuis zijn.

Wat ik me afvraag: waarom erger ik me zo aan in wezen normale, nee, gewone mensen? Dat is toch helemaal nergens voor nodig? Ik ben niet van plan om met die mensen in contact te treden, en ik neem aan dat zij die contactloze impasse ook niet willen doorbreken.

Er is niets aan de hand!

Toch ben ik als de dood en moet ik, in stilte, tegen hen in opstand komen. Tegen hun aanwezigheid. Tegen hun niet-aantoonbare wens om mijn autonomie te doorbreken. Wat een onzin! Allemaal inbeelding! (Maar de mens is niet te vertrouwen!)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s