Lezen (67)

Op bladzijde 19 van En toen wisten we alles, een pleidooi voor oppervlakkigheid legt Coen Simons zijn kaarten met een klap op tafel:

Willen we gebruik maken van de ruimte die sinds de Verlichting voor het individu is vrijgekomen om de wereld vanuit zijn standpunt te bekijken en van commentaar te voorzien, dan is een nieuw bildungsideaal vereist: de oefening van onze oppervlakkige, ongeautoriseerde blik. Geen ondoordachtheid of onverschilligheid, maar oppervlakkigheid. Kortom, een blik die in het velengde ligt van de wijze waarop de mens in de wereld staat. Met het bewustzijn van de menselijke tekortkoming dat we moeten handelen en beslissen zonder alle consequenties van dat handelen te kunnen overzien, zonder te kunnen ontkomen aan het eigen perspectief, de eigen horizon in ruimte en tijd.

Deze gedachte werkt hij in het boek consequent, en met verrassende conclusies uit. Het is niet zo dat Simons ‘voor’ of ‘tegen’ bepaalde instituties of gewoonten (rituelen) is, maar hij bepleit wel het belang ervan; daarin komt hij te spreken over het huwelijk, de democratie, het koningshuis, de rechtspraak, de vrije wil, de moraal en nog zo wat van die heilige huisjes, die hij eerder terug op zijn plaats zet dan afbreekt.

In zijn recensie op het boek schrijft Arie Storm: ‘”Het vereenvoudigd uitleggen van de ontwikkelingen in de wetenschap is van groot belang, maar het mist zijn educatieve doel als we het domein van het meetbare op één lijn stellen met het domein van de waarheid.” En daar maakt Simon een interessante stap. Want, zo redeneert hij, er is veel ontastbaars (wat hij over de liefde schrijft, is erg fraai), maar gelukkig beschikt de mens over cultuur, die “schat van oppervlakkigheden”, die hem in staat stelt voor al het ongrijpbare van het leven toch iets tastbaars in de plaats te stellen. Uiteindelijk ontwikkelt En toen wisten we alles zich vooral als een pleidooi voor kunst. Zonder kunst zouden we het leven haast over het hoofd zien, schrijft Simon.’

Maar Simons pleit niet alleen voor kunst, hij pleit, aan de hand van Johan Huizinga, voor een cultuur die zichzelf ernstig neemt, voor een cultuur die het leven van een grote groep mensen aan de oppervlakte toedekt, of reguleert. Die cultuur herbergt een spelelement in zich: ‘”Echte cultuur kan zonder een zeker spelgehalte niet bestaan”, schrijft Johan Huizinga in Homo Ludens. Net als in de liefde de geliefden samen samen in alle ernst de illusie van de liefde spelen, zo moet ook iedere cultuur in zekere zin gespeeld worden.’

Verdwijnt dat spel, dan ‘breekt de cultuur zelve’, zegt Huizinga. Veel terloopser is niet weer te geven wat we op dit moment om ons heen zien gebeuren.

p.s. Toen ik dit boek aanvroeg, leefde ik in de veronderstelling dat het Simons meest recente werk is. Dat is het niet, hij publiceerde onlangs een nieuw boek. Ik had het te oppervlakkig gelezen, maar die oppervlakkigheid bezorgde me wel de lectuur van En toen wisten we alles.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s