Lezen (62)

Ik ken iemand die alleen maar de Canzoniere van Petrarca leest en edities van het boek in alle mogelijke talen verzamelt. Hij neemt geen secundaire literatuur óver de wereldberoemde dichtbundel tot zich en de in- en uitleidingen die informatie verschaffen over zaken buiten de zangen en sonnetten slaat hij over. Het gaat hem om de gedichten, beweert hij, en om niets dan de gedichten. Hij beweert zelfs dat het onderwerp van de gedichten hem koud laat. Hij leest de gedichten en die gedichten zijn hem, boven alle andere lectuur, lief.

Ik kan me niet voorstellen dat het me zou lukken, Petrarca zo los te zingen van het onderwerp van de gedichten. Maar misschien is mijn vriend een lezer, zoals er maar weinig zijn. Of eigenlijk: geen. Op een na. Zelf lees ik sterk op de golfslag van wat ik, al hou ik niet van het woord, mijn emoties zal noemen. Soms vind ik een boek ontroerend. Soms niet. Een boek dat me niet minstens een beetje ontroert, vind ik meestal tóch niet goed. Ik zou best willen wéten waarom ik sommige teksten lief heb, en andere niet; maar ik vrees dat het een geheel onbewust, door troebele onderlagen aangedreven proces is.

Mijn vriend heeft Italiaans geleerd, om de bewonderde gedichten in het origineel te kunnen lezen. Ik moet me, altijd, behelpen met bewerkingen en dankzij Robert Frost weten we: ‘Poetry is what gets lost in translation.’  Sinds kort blader ik wel eens door de vertaling van Peter Verstegen, Het liedboek, die in 2008 in de Gouden Reeks verscheen en dit jaar werd herdrukt als deel van de Perpetua Reeks. Het nawoord is geschreven door Kees Fens, iemand die juist alles om het gedicht heen laat meeklinken in het werk van Petrarca, en die niet alleen de gedichten maar ook de hele cultuur waarin zij zijn ontstaan tot klinken probeert te brengen.

Ik heb ontzag voor Petrarca, en op een of andere manier heb ik altijd het idee dat hij een ‘moeilijke’ auteur is. Het is als lezer van de twintigste en eenentwintigste eeuw niet meer goed te vatten wat iemand uit de veertiende eeuw precies bedoelt. Petrarca verwijst naar andere dingen en gebeurtenissen, in een taal die wezenlijk andere connotaties heeft dan onze taal in onze tijd. Dat we hem nog kunnen lezen, is ondanks die cultuurverschillen, niet omdat hij onze cultuur mede heeft bepaald. Een klassieke tekst is wat overblijft na eeuwen literatuurgeschiedenis, bijna per toeval of, zoals bij Petrarca, omdat het werk over de liefde gaat en min of meer tijdloos van snit is (en mij soms ontroert).

Een klassieke tekst is geen stralende tekst die de tand des tijds zonder moeite kan doorstaan. Integendeel: er moet generatie na generatie worden gevochten met die tekst, om te voorkomen dat de tekst in de tijd wegzinkt. En dan nog is het maar de vraag of we, meer dan zevenhonderd jaar na de geboorte van de auter, echt wéten wat we lezen. Misschien heeft mij vriend het dus niet zo gek bekeken.

Alleen jammer dat ik hem heb bedacht, onder invloed van de verhalen die ik in Zalig zijn de schelen las. Ik wilde ook zo’n verhaal maken. Dat is bij deze mislukt. Het boek van Herman Pieter de Boer en Betty van Garrel is minder oud dan Het liedboek, overigens, maar waar het de culturele context betreft al aardig onbegrijpelijk voor een lezer zoals ik.

Advertenties

Een gedachte over “Lezen (62)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s