Lezen (57)

Soms word ik wel eens opgebeld door Peter Drehmanns. Het gesprek gaat meestal over poëziegerelateerde zaken. Drehmanns vindt dat ik altijd somber klink, dat de manier waarop ik mijn naam zeg na het aannemen van het gesprek het ergste doet vermoeden over mijn humeur en/of geestelijke welzijn.

Lodewijk van Deyssel schreef de gesprekken die hij wilde láten voeren uit. Een bediende richtte vervolgens, strak geregisseerd, het woord tot bijvoorbeeld een restauranthouder (om een diner samen te stellen), een kruidenier of een speelgoedwinkelier. De heer Alberdingk Thijm laat vragen… telephoonbriefjes, onder die titel verschenen deze briefjes in 1976. Aan de vergetelheid ontrukt, uiteraard, door Harry G.M. Prick.

Vorig jaar verscheen een luisterboek, ingesproken door Arend Jan Heerma van Voss; een man met een prachtige stem, maar de manier waarop dat, vroeger, in het leven van Van Deyssel, ging – die is niet terug te halen en voor de homo telefonicus die tegenwoordig de overhand heeft onvoorstelbaar.

Vandaag lees ik op pagina 15 van Peters roman Erfsmet:

Telefoneren is mij een gruwel. Die stotterende wachttoon en dan ineens een persoon die er tegelijkertijd is en niet is. Voor je oren is hij/zij er, voor je ogen en de overige zintuigen speelt hij/zij verstoppertje. Zoiets valt amper te bevatten, maar desalniettemin word je geacht te doen alsof het de normaalste zaak van de wereld betreft. Hoewel je volkomen sprakeloos bent, moet je je kenbaar maken. Wie je bent, wat je wilt, waarover het gaat.

Drehmanns is een schrijver die zijn zinnen graag goed in de verf zet. Hij schrijft eerder vanuit het idee dat er altijd wel wat bij kan en bij mag, hij zal niet meteen gaan schrappen en vijlen tot er een Nesciozinnetje is overgebleven. Ik vind dat een sympathiek trekje, in een schrijver.

Dat wil niet zeggen dat hij zomaar wat voor zich uitschrijft. Enfin, op bladzijde 17 lees ik dan ook: ‘De kwaliteit van onze driften of gemoedstoestanden is in beslissende mate afhankelijk van de tucht die je bij de “uitoefening” ervan betracht. Iemand die zich zomaar laat gaan, oogst slechts weeë vormeloosheid.’ Het is alsof W.F. Hermans ineens met een ruime adem van zich doet spreken, in een wat zuidelijke tongval.

Of ik me echter, na dit alles, ooit nog per telefoon tot Drehmanns zal durven te richten? Ik denk van niet. Het is eerder mijn aangeboren vormeloosheid die me parten speelt, als ik ineens hardop mijn naam moet uitspreken, in de hoorn.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s