Lezen (55)

De gedichten van Marleen de Crée zijn vaak gebouwd als opsommingen, net als die van Folgore da San Gimignano, P.A. de Génestet, Gerrit Komrij  en Menno Wigman (om maar een paar namen te noemen).

Een eerbiedwaardige methode, die de dichter veel speelruimte geeft, maar ook een valkuil is voor dichters die het métier niet al te goed beheersen. Een opsomming kán vervelend worden, en vrij snel ook, in de handen van iemand die van zichzelf niet veel te zeggen heeft. Ik citeer:

Roses and Roses

rosa blanda, rosa gallica en angelita.
rosa alba, rosa tomentosa, yesterday.
lady of the dawn, mademoiselle de dinant.
bel ange, alex red, rosa involuta.

uit elke rozenbrand, souvenir de malmaison,
rosa filipes, tapis volant, veilchenblau.
mermaid, moonlight, perdita, mrs. flight,
pleine de grace, rose chou, oeillet flamand.

rosa centifolia, rosa damascena,
old pinc moss, reine d’anjou, belle isis,
rose duchesse d’angoulême, pimpinelli, charm of may.

pink grootendorst, rush, honorine de brabant,
königin von dänemark, scharlachglut,
cuisse de nymphe, frühlingsgold, sommerblut.

Rozenrassen. Die staan hier bij elkaar gebracht. Maar pas op: de cyclus waarmee dit gedicht opent, heet ‘Rozen en Rozen’. Een opsomming, zeker, én een manier om te zeggen: ‘Je hebt rozen en rozen.’  De ene roos is de andere niet. Of wel? De spreekwoordelijke regel van Gertrude Stein zegt van wél. De Crée voegt daar haar eigen definitie van ‘roses and roses’ aan toe.

De a-klanken in de eerste strofe geven het geheel iets vols, iets waar Lucebert over schrijft in gedicht ‘XV’ uit de amsterdamse school: ‘van oe en a staat je ruimte / door mijn hijgen verzadigd // van stijgen en ademhalen / is opgestapeld mijn lichaam’. Woorden als ‘blanda’, ‘gallica’, ‘angelita’, ‘alba’ en ‘tomentosa’ botsen en schuren prettig met ‘dinant’ en ‘bel ange’ en vooral met ‘involuta’, de rozen verdringen elkaar in deze strofe.

Tegen het einde van de tweede strofe komt het noodlot al om de hoek kijken: na de ‘rozenbrand’ en de ‘malmaison’ uit regel 1 en het ‘veilchenblau’ uit regel 2 komt onvermijdelijk ‘perdita’ (regel 3) en uiteindelijk ‘oeillet flamand’. De roos is teruggekeerd op de (harde, Vlaamse) grond.

In het sextet hebben de wat wuftere rozen de overhand (‘charm of may’, ‘honorine de brabant’), maar vooral de slotregel spreekt harde rozenwoorden over verlies en ellend: ‘cuisse de nymphe, frühlingsgold, sommerblut.’ Hier wordt gesproken over liefde en verlies, maar ook over die ellendige ‘frühlingsgold’ die er met iemand, of iets, vandoor gaat. Een roos is een roos, maar inderdaad: je hebt rozen én rozen.

Een thema van alle tijden, maar in de opsommende vorm en vermomd als een gedicht over rozen levert het een meer dan verrassend resultaat op. De Crée ‘vermomt’ een al dan niet persoonlijk (of door persoonlijke verhalen opgeroepen) verhaal. Ze doet dat met zo veel in de loop van jaren verworven vakmanschap, dat de lezer er alleen maar met bewondering naar kijken – om vervolgens te lezen wat er stáát, althans, te lezen wat er volgens de lezer zou kunnen staan.

Want ook dat is het wezen van goede poëzie: die geeft de lezer genoeg te doen, die maakt het lezen niet tot een enkelvoudige aangelegenheid maar biedt lezing na lezing iet te doen. Leesarbeid, het woord zegt het al, dáár moeten goede gedichten het van hebben, en dan is ‘arbeid’ in dit geval geen lelijk woord, bedoeld om het lijden van de werkende klasse mee te omschrijven; het is het labora uit ora et labora.

De dichter moet zich, om de lezer de gelegenheid te bieden terug te keren naar het gedicht. Dat doet hij, in de beste gevallen, door zich (deels) uit het gedicht terug te trekken, door te versleutelen wat al te persoonlijk wordt, door de taal om te werken, door zelf ook arbeid te verrichten, in een voortdurend terugdeinzen voor cliché’s en gemakkelijke effecten. Het is als in het gedicht ‘De zwijgzaamheid’ van Gerrit Komrij, die schrijft: ‘Eer zal men kakken in zijn hoed, / Dan dat ik u mijn ziel blootleg / En zeg wat ik thans lijden moet.’

Advertenties

Een gedachte over “Lezen (55)

  1. Het noodlot tegen het einde van strofe II? Jammer, ik kan niet met u meelezen, meezweven op uw gedachtengolven … Uw gedichtbespreking ruikt me teveel naar hineininterptetieren. Hoewel, zweven … ik vind het een prachtontdekking, dit gedicht: wunderbar. Is het omdat ik van rozen hou?

    Wat ik ook niet kan volgen: over de oeillet flamand – “De roos is teruggekeerd op de (harde, Vlaamse) grond?? Die oeillet flamand is toch gewoon een variant van de rosa gallica? Ben ik te nuchter, blijf ik te bijdegronds – moet ik een kenner van Marleen De Crée zijn om u te kunnen begrijpen? In elk geval: wat een klankenspel in dit gedicht, heerlijk klaterende rozenmuziek, wat een ritme in de opsomming: heerlijk rozenwoordengenot. Er zitten wel veel historische rozen in het boeket. Volkomen gelijk hebt u: het is een fascinerende tekst. Willen of niet, je gaat op zoek naar betekenissen, meegezogen door de in klank ‘verpakte’ rozensoorten. Wow.

    Ik verwijt u niks, hoor, beste Chrétien Breukers, u leest, merk ik, gewoon “wat er zou kunnen staan”, en ik lees niet wat u leest. Zo simpel is ‘t.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s