Lezen (51)

De gedichten van Martinus Nijhoff lezen, hoe doe je dat? Welke houding neem je aan ten opzichte van zijn werk? Het heeft mij altijd moeite gekost om iets van Nijhoffs gedichten te vinden, al bewonder ik ze zeer en lees ik ze al een jaar of dertig.

Dit schreef J.C. Bloem in 1935 over Martinus Nijhoff. Ik vond het citaat (uitgebreider) in het boek Dit nog, ook dit van Wiel Kusters. Blijkbaar wist J.C. zich ook niet altijd evenveel raad met zijn bewondering:

Het raadselachtige in Nijhoff’s dichterlijke verschijning blijft voor mij de combinatie van de hoogste persoonlijkheid met de hoogste onpersoonlijkheid. […] Het merkwaardige is echter dat men – het terugkeeren van één enkel motief, dat van moeder-kind daargelaten – absoluut geen indruk krijgt van de persoonlijkheid, die achter deze verzen zit. […] In dat opzicht vormen zij een volkomen tegenstelling tot het werk van de meeste dichters. Men denke, om een zeer sprekend voorbeeld te nemen, eens aan het werk van A. Roland Holst. Als men dit goed kent, weet men precies, hoe zijn persoonlijkheid – de dichterlijke dan, wel te verstaan – is. Van Nijhoff weet men na het lezen van zijn verzen niets. Hij blijft Proteus, een raadsel. Maar zijn verzen zijn er niet minder hecht, beeldend en persoonlijk om. En ik vraag mij af, of dit misschien niet de hoogste en beste vorm van de “poésie pure” is: zoo alleen in en door het vers te bestaan.

De zeegod Proteus verandert voortdurend van gedaante. Ik neem aan dat Bloem in het citaat daar doelt: Nijhoff is nu eens de Pierrot, dan weer Awater, een derde keer de soldaat die Jezus kruisigde, et cetera, maar hij blijft toch Nijhoff, zij het onkenbaar. Nijhoff speelt rollen, maar de echte Nijhoff blijft voor ons, lezers, verborgen: hij bestaat alleen in en door het vers.

‘Sfeer’ is geen goed begrip om een schrijver mee te vatten, maar ik denk dat er bij Nijhoff wel sprake is van een constante, een beetje vertellend-plechtstatige sfeer, waar zowel zijn debuutverzen, de monolieten uit het middenwerk én zijn latere, soms wat zemelige werk van doordrongen is. Ik geef toe dat dit een persoonlijke manier van zien is, en ik kan daar weinig bewijzen voor opvoeren.

Nijhoff is een kalme verteller, die in het vers, even, terloops, een verhaal vertelt. Dat doet hij in misschien niet spectaculaire taal, maar alles wat hij schrijft komt tot zingen, een beetje zoals in zijn beroemde gedicht ‘Het tuinfeest’

Ginds, aan den overkant, gaan reeds gitaren,
En lampions, en zacht-plassende riemen,
Langzaam over verdronken sterren varen –

Zij zingen, nijgen naar elkaar en kussen,
Geenszins om liefde, maar om de sublieme
Momenten en het sentiment daartusschen.

Het zit hem in dat ‘Langzaam over verdronken sterren varen’. Dat beeld, mensen die uit beeld roeien, met zacht gepeddel… het ontroert, ik kan het helaas niet anders zeggen. Nijhoff doet, om dat effect te bereiken, niet veel anders dan ons even wijzen op die mensen, die daar zitten, die mensen dat zijn ‘Wij, aan ’t dessert, eenzelvige rebellen’, en de klanken en het slepende ritme doen de rest.

Ik denk niet dat Nijhoff zich, en dit is net iets anders dan wat Bloem beweert, verschuilt in zijn vers, om er onkenbaar te blijven – volgens mij trekt hij zich er juist voortdurend uit terug. Zijn werk speelt zich dan ook niet voor niets vaak af, zoals in ‘Het tuinfeest’,  ‘nu ’t uur eind’lijk naar weemoed zwicht’, op breukmomenten in de dag of de tijd. Daar komt die ongrijpbare sfeer vandaan. Het is bij Nijhoff altijd borreltijd, altijd het kuiltje van de dag.

De dichter maakt zich in dat uur of in dat moment op om weg te gaan, om het vers te laten, al kan hij elk moment terug worden geroepen: ‘Zeg zacht mijn naam, en ik ben in ’t vertrek: / de bloemen staan weer in de vensterbank, / de borden in het witte keukenrek.’ Dat schrijft hij in ‘Haar laatste brief’ en in ‘Awater’ heet het: ‘Hij hangt een sleutel op het sleutelboord. / Een droge distel doet zich aan hem voor, / hij grijpt zijn stok, hij wandelt fluitend voort.’

Nijhoff is aanwezig én aanwezig in zijn werk (‘Wees hier aanwezig, allereerste geest’) en de dichter is zich over-bewust van wat zijn werk doet, of kan doen:

Elk woord vernieuwt de stilte die het breekt.
Al wat geschiedt geschiedt nog voor het eerst.
Geprezen! Noach bouwt, maar geen ark meer,
En Jonas preekt, maar niet te Ninive.

Advertenties

Een gedachte over “Lezen (51)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s