Lezen (50)

Een gewone donderdagavond, ergens in Amsterdam. De wijk heet Zuid en ik verbaas me over de grootte van de huizen. Dat doe ik elke keer als ik in Zuid loop. Hier een huis te bezitten, een huis met meerdere verdiepingen en een grote tuin, op het zuiden, uiteraard, en dan door je huis lopen en denken: ‘Dit is mijn huis.’

Maar ja, wat dan, dan ga je je natuurlijk weer druk maken over hoe je dat huis moet onderhouden, en of je de hypotheek wel kunt blijven betalen, en dan wordt het vervolgens de gewoonste zaak van de wereld dat je in dat huis woont en dan wil je verhuizen, weg, naar een ander huis.

Ik kijk schaamteloos bij de bewoners van deze kapitale panden naar binnen. Dat kan gemakkelijk, de meeste laten de gordijnen geopend. Ineens krijg ik een schok. Ik blijf doodstil staan en kijk nog een keer, om me ervan te vergewissen dat ik echt heb gezien wat ik dacht te zien. En inderdaad, ik heb het echt gezien.

Daar, achter een van die enorme ramen, zit een vrouw die sprekend lijkt op mijn allereerste vriendinnetje, maar dan een jaar of twintig ouder. Ze zit aan een tafel en leest een boek. De wanden van de kamer zijn onzichtbaar achter de boekenkasten die van de vloer tot het plafond reiken.

Waarom raakt het uit met eerste vriendinnetjes? Dat hoort niet. Dat is niet goed, al is het noodzakelijk (en toch wel goed). Ik weet hoe het haar is vergaan, mijn moeder speelt bridge met haar moeder en af en toe krijg ik een update, laatst werd mij zelfs verteld dat ze zwanger is. Ik reageerde met gepast enthousiasme.

Ik sta op straat en kijk naar de vrouw aan de tafel, zij is niet mijn eerste vriendinnetje, want die woont heel ergens anders, met haar man en met haar almaar groeiende kind; toch klopt het beeld, de vrouw aan de tafel leest en veel van mijn herinneringen aan mijn eerste vriendinnetje zijn verbonden met lezen.

We ontmoetten elkaar voor het eerst in de schoolbibliotheek. Zij las gedichten van Hooft en ik, een puber die niet wist dat hij puberde en daarom doodongelukkig, ziek van alles en boos op de wereld, ging, zonder echt in de gaten te hebben dat ze daar zat, naast haar zitten met de verzamelde gedichten van J.C. Bloem, naar zijn foto te oordelen ook geen gelukkig mens, met een hoornen bril en een groot, kaal hoofd; maar zijn glimlach was sarcastisch en vriendelijk tegelijk, dat wel.

Ze keek eerst welk boek ik bij me had en pas daarna keurde ze me een blik waardig. Ik ging bijna door de grond. Ik herkende haar. Ze zat in een andere VWO4-klas.

‘Mooi,’ zei ze.
‘Ja.’

Wat moet je anders zeggen?

We zaten ongeveer een uur naast elkaar te lezen. Ik kon me niet zo goed concentreren op de gerijpte poëzie van Bloem en durfde ook niets tegen haar te zeggen. Ze las de poëzie van Hooft en die kende ik niet en hoe ik ook zocht naar een ander gespreksonderwerp, mijn hoofd bleef leeg. Het leek me te onbenullig om over school te beginnen, of over een van de leraren, daar was een meisje als zij vast niet van gediend.

Ik kreeg het idee dat ze steeds dichter bij me kwam zitten, maar dat was vast inbeelding, en toch voelde ik haar trui tegen mijn trui, ik rook haar geur, ze rook naar iets dat ik nog niet kende, naar een wereld van meisjeskleren en meisjeslichamen en meisjespraat. Ik moest iets tegen haar zeggen. Ik moest dapper zijn.

‘Wil je koffie gaan drinken?’

Dat was wat ze zei. Dat had ze gezegd. Dat had ik goed gehoord. Daar kon geen misverstand over bestaan.

‘Ja.’

Wat moet je anders zeggen?

We dronken koffie in een café dat voornamelijk werd bezocht door bejaarde dames en zij vertelde van alles en nog wat en ik vertelde van alles en nog wat terug en we waren het roerend met elkaar eens en uren later fietste ik naar huis, met in mijn binnenzak een papiertje met daarop haar telefoonnummer.

Ze had een eigen telefoon, had ze me verteld, en daarom mocht ik haar altijd bellen, ze zou niet worden gestoord door haar zus of door haar ouders. Ik fietste erg hard. Ik voelde me, ik wist niet hoe ik me voelde.

De dag na ons eerste afspraakje, we waren naar de film geweest en hadden ergens iets gedronken, belde ze me op. Of ik zin had om vanavond naar haar toe te komen. Haar ouders waren naar een feest en har zus was weg en ze verveelde zich. Ik zei dat ik met plezier naar haar toe zou komen en wist me de rest van de dag geen raad van de zenuwen. Ik had geen idee hoe ik me tegenover haar zou moeten gedragen. Helemaal alleen, samen, in het huis van haar ouders.

Ze had er echt werk van gemaakt. Uit de wijnkelder van haar vader had ze een fles wijn te voorschijn gehaald, er brandden kaarsen en we gingen op het dikke tapijt voor de open haard liggen. Ik verwachtte de fotograaf van het modetijdschrift binnen te zien lopen, hij zou aanwijzingen geven hoe we moesten gaan zitten of liggen.

Ze zoende me en ik zoende haar en als we niet zoenden vertelden we elkaar van alles en nog wat en las zij voor uit haar favoriete boeken. Hooft was zo’n beetje de meest hedendaagse schrijver van wie ze hield. Volgens mij had ze álles gelezen en was ze er op een bepaald moment achter gekomen dat alles vóór de achttiende eeuw haar voorkeur wegdroeg.

Ik kijk naar de vrouw. Ze is alleen in een immense kamer vol boeken. Ik wil aanbellen, wat een schending van haar intimiteit zou zijn. Ik loop verder. Naar huis.

(Ooit verschenen in het inmiddels verdwenen blad Bzzlletin.)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s