Lezen (48)

Voorjaarssloop

Het voorjaar sloopt alle muren
de stad verdwijnt gretig

Het licht is mateloos promiscue,
ik kan alleen maar volgen

Naakt steek ik de straat over,
ook mijn huid moet er nog af

© André van der Veeke, uit: Reizigers voor alle richtingen, 2004

Wat staat hier eigenlijk? Het voorjaar sloopt alle muren? De stad verdwijnt gretig? Hoe doet het voorjaar dat? Lijken alle muren minder donker in het licht, waarover in regel drie wordt gezegd dat het ‘mateloos promiscue’ is? De in regel vier geïntroduceerde ‘ik’ zegt dat hij ‘alleen maar (kan) volgen’. Wat volgt hij dan? Het is de raadselachtigheid ten top. Of moet ik het elders zoeken, moet ik minder letterlijk lezen?

Sloopt het voorjaar de ‘innerlijke muren’ van de ‘ik’ in het gedicht? Breekt hij, letterlijk, uit de stad, uit de cultuur, de natuur in. Of is de ‘innerlijke stad’, het labyrint in het hoofd, figuurlijk afgebroken door het voorjaar? Breekt het eerste zonlicht alle (innerlijke) weerstand af? Is het licht onthullend?

Deze lezing zijn zou kunnen worden ondersteund door de tweede strofe. Het voorjaarslicht maakt een promiscue liefdesverlangen wakker, een verlangen dat de ‘ik’ alleen maar kan volgen. Hij is na de winter ontdooid en geeft nu gehoor aan de roepstem van de of zijn natuur.

Toch zorgt de slotstrofe vervolgens weer voor raadsels: ‘Naakt steek ik de straat over, / ook mijn huid moet er nog af’. Hebben we hier van doen met iemand die de lente in de kop is geslagen, iemand die mataglap of psychotisch is geworden van te veel zon?

Ik dacht na lezing van deze strofe aan ‘vers 6’ uit De feesten van angst en pijn, geschreven door Paul van Ostaijen en hier te lezen (en te horen, in  de uitvoering van De Dichters uit Epibreren. Het gedicht van Van Ostaijen gaat veel meer dan dat van Van der Veeke uit van een failliete stad, een stad die is vertrapt en vernederd, letterlijk: een bezette stad. Van der Veeke zet daar zijn voorjaarsstemming tegenover en verlaat de stad.

Van Ostaijen schrijft:

ik zal beginnen mijn faljiet te geven
ik zal mij geven een stuk gereten arme grond
een vertrapte grond
een heidegrond
een bezette stad

Ik wil bloot zijn
en beginnen

Van der Veeke pakt het anders aan; bij hem speelt het gedicht zich niet af op de rokende puinhopen van het slagveld. Hoewel de puinhopen bij hem niet minder groot zijn, lijken ze zich eerder alléén in zijn psyche te bevinden en niet ook tussen de singels of wallen van de stad en op het (voormalige) slagveld. In de slotstrofe lijkt Van der Veeke die blootheid waar Van Ostaijen over sprak verder te willen doortrekken.

Terwijl ik na eerste lezing dacht met een geluksgedicht te maken te hebben, blijkt het na een paar keer herlezen iets anders. Maar wat? Geen doodsgedicht, maar zeker ook geen voorjaarsgedicht in de klassieke betekenis van het woord. Geen natuurgedoe. Geen vrolijk licht dat de bloeiende bloesems bestrijkt. Het is veel eerder, net als het gedicht van Van Ostaijen, een annunciatie, een aankondiging van het voornemen van de dichter om schoon schip te maken, af te rekenen, tot de kern te komen na de feesten van angst en pijn.

Het licht van het voorjaar breekt de muren af en stort de dichter, pardon, de hoofdpersoon van het gedicht, in een genadeloos en alleen te volgen paganisme (als ik dat zo mag zeggen). Hij wil niet alleen beginnen of opnieuw beginnen: hij wil zijn huid afstropen, om erachter te komen wat daaronder, onder de naaktheid, is. Van der Veeke wil geen voorjaarsschoonmaak maar een sloop van alles, tot onder het eigen vel. Hij wil in die rauwheid tot de poëzie komen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s