Ongelovig katholiek (5) – Witte Donderdag

Vandaag is het Witte Donderdag, de dag waarop (onder andere) het Laatste Avondmaal wordt herdacht. Als kind vond ik het verhaal over Jezus die, wetend dat zijn laatste dag is ingegaan, met de apostelen aan tafel zit (in plaats van te vluchten, of iets anders te ondernemen) totaal onbegrijpelijk. Hij zat, vrijwillig, zijn galgenmaal voor, sterker: tijdens dat galgenmaal vergat hij zelfs niet om richtlijnen uit te vaardigen voor de herdenking ván dit avondmaal.

Ik was, en ik ben inmiddels oud genoeg om dat zonder ironie te kunnen zeggen, een gevoelig jongetje dat intens mééleefde met Jezus. Omdat we wekelijks over zijn leven (en uiteindelijk sterven en verrijzen) te horen kregen, in een strenge jaarlijkse regelmaat, had ik me zijn leven eigen gemaakt. Ik was met hem begaan zoals ik met een oom begaan zou zijn geweest, of met een veel oudere broer.

Martin Mosebach schrijft in zijn boek Häresie der Formlosigkeit : die römische Liturgie und ihr Feind over het Laatste Avondmaal: ‘Und danach, postquam coenatum est, ergreift er ein Stück des übriggebliebenen Brotes, und er verleiht mit dieser einfachen Geste, die nichts stört, sonder die aus dem Ritus wie eine neue Blüte herauswächst, alles was vorher war und was nachher geschieht, eine neue Bedeutung.’

Daar reageerde ik ooit op, in een helaas verdwenen bijdrage op Literatuurplein: ‘Waarom ontroerde deze passage mij zo direct? Ik denk om het erin verwoorde besef dat iets nieuws kan ontspringen aan het oude, zonder het te verstoren – terwijl dit nieuwe alles ‘wat was en wat zal zijn’ toch een nieuwe betekenis verleent. Ik las een mooie definitie van wat poëzie is, besefte ik, een definitie die zich niet bedient van de “breuk” waar avantgardisten zo dol op zijn, maar een vernieuwing die wortelt in het oude, zonder zich eruit los te willen scheuren.’

Op Google zoekend naar gedichten over Witte Donderdag kwam ik bij onderstaand gedicht van Andrea Voigt uit. Het is, omdat het zo geheimzinnig is in zijn directe zegging, een ijzersterk gedicht dat ik nu al jaren af en toe herlees. Binnen de grenzen van dit stukje gaat het me vooral om de laatste zes regels, die het perspectief van het gedicht ineens verleggen; Voigt stapt over de tegenwoordige tijd en in de slotregels lijkt ze, tenminste, ik associeer daar naar toe, te willen beschrijven wat dat is, aanzitten aan een laatste avondmaal: wachten op de honger en de koude.

Donderdag

Ik stak de sleutel in het slot en wrikte
de deuren schuurden langs de drempel
de kamer was verlicht, het bed gespreid

op tafel stond een pot met soep
de haverkoeken lagen op een bord
met vette, geeloranje kaas en uien en augurken

ik kon lopen door de kamer met een mond vol Schotse zalm
aan tafel zitten bij de warmte van een vuur
bekers vol met whisky kon ik drinken

ik snijd het zware brood in dikke plakken
en leg het op een plank met zoute boter
met honing en met bittere marmelade

in het midden van de kamer ga ik zitten
op de oude stenen vloer
wachtend op de honger en de kou

© Andrea Voigt

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s