Lezen (37)

Vandaag schrijft Theodoor Holman in zijn Parool-column: ‘Helaas wordt tegenwoordig dan ook minder over literatuur dan over film gesproken.’ Ik weet niet of dat in het algemeen zo is, volgens mij kom ik te weinig buiten om dat te kunnen beoordelen.

De eerste jaren dat ik in Nijmegen woonde, tussen 1983 en 1987, sprak ik zo ongeveer dagelijks met mensen over boeken. Niet alléén over boeken, zo erg was het nu ook weer niet, maar wel veel. Bijvoorbeeld over het nieuwste boek van Jeroen Brouwers, in die jaren een held, althans, van veel mensen met wie ik omging (en van mezelf).

Tegenwoordig vind ik diepzinnigheid iets voor mensen die niets beters te doen hebben. In die tijd zag ik dat, denk ik, anders. Ik geloofde in de grote thematiek, in het diepe gevoel en in het bruisende schrijversleven. Dat geloof is verdwenen en er is niets voor in de plaats gekomen. Gelukkig maar.

Theodoor Holman gaat natuurlijk veel om met mensen die midden in het volle leven staan. Mensen die naar de film gaan en weinig tijd hebben voor het lezen van een boek. Wie de hele column leest, ziet ook wat precies het fundament is van zijn teleurstelling: een boek dat hij geschreven heeft wordt door de papiermolen gehaald.

Een beetje schrijver trekt zich daar natuurlijk niks van aan. Voor een gesprek over literatuur heb je maar één exemplaar nodig van een boek, een exemplaar dat door minimaal twee mensen kan worden gelezen. Oplagecijfers spelen maar een marginale rol (wat niet wegneemt dat het boek wel moet zijn gedrukt, of in digitale vorm opgeslagen, of on demand te printen).

Theodoor Holman is teleurgesteld in de letteren. Dat is onvermijdelijk, na een leven in de letteren. Het valt niet mee om jaren achter elkaar plezier te hebben in het spreken over literatuur. Dat hou je alleen vol als je een doorzetter bent. Of iemand met een plaat voor zijn kop ter grootte van het verzameld werk van Simenon, in de Pléiade-editie.

Maurice Gilliams schrijft in zijn gedicht ‘Elegie’:

Zondag op het land.
Roken en door ’t venster staren :
linden voor de gevel,
trage knapen gaan voorbij.

Zomeravond op de velden
en de verre treinen kan men horen.
Grachten die naar heimwee smaken,
vergezichten, klokken die mij plagen
komen ’t hart zijn honig roven.
En de dorpen die ik door wil trekken,
waar de bruiden wonen,
waar de boten varen op de stromen,
roepen mij in ‘t dalend donker :
in het koren staat een huis.

Maar ik toef hier voor het venster
van een boerenkamer
waar een stoel de stilte tekent
en de bloemen bruin verwelken
in een glas groen water.

De wereld lonkt, maar de ware lezer (en literatuurliefhebber en auteur) blijft thuis. Bij de verwelkende bloemen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s