Lezen (34)

Zo begint een artikel van Kees Fens (Ons Erfdeel 46/3): 

In oktober 1989 hield prof. dr. A.L. Sötemann op een kleine conferentie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen een toespraak over de dichter J.C. Bloem. Hij las nogal wat gedichten of fragmenten voor en een enkele keer kon hij daarbij zijn emoties moeilijk beheersen, zijn stem hield de regel niet helemaal op de lijn. Dat was aangrijpend. Hij had vele jaren wetenschappelijk werken met de poëzie van Bloem achter zich, had de definitieve uitgave van diens werk gemaakt, uitstekende essays over de gedichten geschreven. Nu bleek, voor wie het nog niet wisten, hoezeer de studie ook door de persoonlijke beleving werd gedreven. 

Ik heb niet vaak iemand zien huilen om een gedicht dat hij of zij voorlas. Ergens eind jaren tachtig las Johan Polak gedichten van J.H. Leopold voor tijdens een Studium Generale van dezelfde Katholieke Universiteit Nijmegen, en op een gegeven moment brak hij. Hij weende.

Ooit zag ik een als voordrager debuterende dichter in tranen uitbarsten. Op het podium. Maar dat is niet hetzelfde: de emoties werden hem te veel, hij werd door zijn zenuwen gesloopt, niet door de tekst die hij zou gaan voordragen.

Een leraar geschiedenis aan onze middelbare school moest altijd huilen als hij de aanhef van een lang gedicht van Ida Gerhardt declameerde: ‘Twee uur: de klokken antwoordden elkaar’. Waarom hij nu net dát begin van dát gedicht aanhief tijdens de lessen? Ik ben het vergeten.

Zelf ben ik meer iemand die jankt bij slechte films, over dode hondjes en kinderen die zielig alleen achter blijven. Om de laatste aflevering van Swiebertje heb ik hete tranen geweend. Ik was tien, zeg ik er ter verdediging bij, en mijn broertje begon. Gedichten werken over het algemeen niet op mijn traanklieren.

Op één uitzondering na, ‘Afscheidslied’ van Jan Kostwinder. Ja, het speelt mee dat ik de auteur bij leven heb gekend. Zeker, ik zie  hem voor me, als ik het gedicht lees. Maar toch zit er iets in, of tussen, of in de buurt van de woorden dat mij elke keer sloopt, hoe vaak ik het gedicht ook (voor)lees.

Afscheidslied

Alles is er nog, de kraaien kraaiend
in de hoge bomen, de melkwitte mistflarden
en het geloei van de vuurtoren,
en ook de koeien met hun onnozele ogen
en de vossen in de berm of slapend in hun holen,
en ook de lange lange weg, de slingerweg
door weilanden en langs de kliffen, om uit te komen
bij witte gebouwen en drinkgelag, bij de mannen
in hun verfbespatte overalls en bij Ellyned
die haar dijen toont onder gorgelend gelach
– flarden sigarettenrook tot onder de dakbalken;
vers getapte glazen – en ook de portierswoning
bij het kasteel waar jij ter wereld kwam, de ramen
waardoor je de zee en de tinnen kon zien,
en ook het rottend ooft in de boomgaard, 
de kassen met hun ingewaaide ruiten 
en de sneeuw die dit alles tot poëzie maakte

– alleen ik ben er niet meer,
niet meer dan een trilling in de lucht
van een opgeheven hand, niet meer dan de stank
van mijn ongewassen kleren bij het afscheid,
niet meer dan een klapzoen, een al vervagende 
herinnering aan iemand die hier heeft geleefd, 
op deze door god gemaakte en ook weer 
in de steek gelaten plek:

je draait je om en kijk ik ben verdwenen ik ben er al niet meer.

© (erven) Jan Kostwinder

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s