Lezen (27)

Een criticus wordt verondersteld een boek als eerste te lezen, en vervolgens verslag te doen van die lectuur. Soms gaat dat goed, al te vaak niet. De ene keer kiest zo iemand het wilde struikgewas van de ideologie, een andere keer beperkt hij zich tot de levenloze stam die filologie is geworden. Een derde keer valt een boek in handen van iemand met een lichte of minder lichte vorm van leesblindheid.

Op de website 8weekly recenseert Lisa van Erp Krombeke retour/Deerlijk retour van Luuk Gruwez, een boek waarin oude en nieuwe verhalen van deze auteur onder één dak en in twee ondersteboven aan elkaar geplakte boeken bijeen zijn gebracht.

Ze schrijft: ‘Voor Gruwez is het optekenen van herinneringen een manier om zijn familie voort te laten leven. In zichzelf een vrij voor de hand liggend uitgangspunt, en zeker geen aha-erlebnis waard, maar door zijn melancholische en tegelijkertijd scherpe observaties werkt het toch. Als lezer kun je niet anders dan meegaan in de besognes van zijn familieleden.’

Op bladzijde 21 van Krombeke retour lees ik: ‘Zelf heb ik tot dusver geen kind verwekt. Het ziet er niet naar uit dat ik dit nog zal doen. (…) Jij, met wie ik (…) begonnen ben, misschien eindig jij samen met mij en ik met jou, althans, aan de verdord ogende tak van die nochtans eindeloos levende, maar grotendeels onzichtbare stamboom die tot in het oude Griekenland, tot in het oude Egypte, tot in Ethiopië en tot vele miljoenen jaren vroeger leidt: tot bij de eerste mens die net als de meeste onder ons van zichzelf dacht dat hij de eenzaamste aller mensen was en onder de Boom der Kennisnog heimwee naar de vissen voelde en naar het water waaruit alles is ontstaan, behalve het water zelf.’

De recensent ziet het verband tussen het optekenen van die familieverhalen en de kinderloosheid (niet alleen in letterlijke zin) van de auteur over het hoofd: ‘Zo blijft de grondgedachte van Krombeke retour/Deerlijk retour weinig opbeurend: “Er werd voor het eerst iets als een kleuterwijsheid over mij vaardig: dat huizen, net als mensen, vroeg of laat verlaten worden. En dat er niets kon geschapen, gemaakt of geboren worden wat niet bestemd was voor de sloop.” Maar door de poëzie van de volkstaal, de tragikomische personages en de liefde die van de pagina’s spat, wordt deze waarheid een beetje draaglijk.’

Zij heeft geen oog voor de tragiek, of beter: voor de hardnekkigheid waarmee Gruwez die ‘volkstaal’ (wat een neerbuigende omschrijving is voor zijn stralende Nederlands, doorspekt met volkstaal) inzet om het verval, het uitsterven, tevergeefs, te vlug af te zijn.

Als een schrijver sterft, sterft zijn hele stamboom uit. De schrijver is de eerste én de laatste persoon die een verhaal optekent. Het is aan de lezer om stamboom en verhaal, lezend, herhalend, in ere te houden. Het is aan de criticus om de taal enigszins juist te verstaan.

Is die criticus daar ‘in zichzelf’ niet toe in staat, dan zou het beter zijn als die criticus zweeg. Dan is zo iemand niet in staat om te lezen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s