Feeds:
Berichten
Reacties

Mijn favoriete uitspraak over lezen is deze. Hij werd en wordt te pas gedaan door iemand die (het zal niemand verbazen) al heel jong antiquaar wilde worden – en het uiteindelijk ook ís geworden.

‘Lezen? Dat houdt maar van kopen af.’

Het is natuurlijk waar dat een boek niet gekocht of verworven hoeft te worden. Je kunt immers naar de bibliotheek gaan en het lezen. Toch is dat, in wezen, een wat kleurloze opvatting. Meer gericht op mensen die boeken consumeren, het type dat vroeger streekromans las en tegenwoordig literaire thrillers, dan op liefhebbers van het hoge woord.

Want in een boek dat terug moet, kun je nooit meer iets opzoeken – behalve als je een eigen exemplaar koopt en het in de kast zet.

Het kopen van een boek is niet vrijblijvend. Stel: het boek valt vies tegen. Dan zit je er maar mooi mee. Breng je het naar een antiquariaat, dan krijg je er ongeveer eentiende voor van de aanschafprijs. Weinig dingen verliezen zo snel hun handelswaarde als gewone boeken.

Stel: het boek bevalt prima, maar het zal nooit meer herlezen worden. Wat dan te doen? Het de rest der jou toegemeten tijden in een kast laten staan verstoffen? Dat is zonde. Weggeven? Ook verkopen?

Wie een boek koopt, haalt zich een enorme berg problemen op de hals, in de valse hoop op een ideale bibliotheek. Zo is het en niet anders. Het betrekkelijke succes van het digitale boek is te verklaren uit de wensdroom die veel lezers vruchteloos koesteren: een niet uitpuilende, opgeruimde boekenkast waarin alleen favoriete werken (in eerste druk of bijzondere uitgave) in het gelid staan.

Maar ja, dan staat er weer ergens een boek dat absoluut niet mag ontbreken en dat trouwens maar 15 euro kost en waar sommige mensen grif het dubbele voor zouden betalen op een plank en wat gebeurt er dan?

Ik maak de lange gang naar de kassa, waarachter de grijnzende dealer in stofnesten zich heeft opgesteld, ja, weer een andere man die zelf nooit een boek leest en zelfs zijn eigen boeken zou verkopen, gesteld dat hij zelf nog boeken hád. Hij noemt het bedrag en neemt de zilverlingen in ontvangst.

Daarna snel naar huis, om te lezen. In de hoop dat het boek het moment van zwakte waard was. Iets wat, maar daar had ik het al over, zeker niet altijd het geval is. Boeken hebben namelijk een eigen wil en het is daarom beter om er niet te veel mee te maken te hebben, althans, niet als lezer.

Dat had die vriend van mij die antiquaar wilde worden, en werd, goed gezien.

Groot nieuws: de lente zal vreselijk zijn, dit jaar. Dertig graden in de schaduw. Mussen die van het dak vallen. Mannen in korte broek. Vrouwen met bleke benen die rokjesdag doen, ook al is dat nergens voor nodig.

De lucht zindert er al een beetje van, van de lente. Daarom is het tijd voor een jaarlijks rondje Melige Boektitels. Melige Boektitels? Ja, Melige Boektitels. Dat zijn boektitels waar je om moet lachen, ook al zijn ze niet komisch bedoeld.

Ik werd ooit op dat fenomeen gewezen door een vriend, die mij prachtige voorbeelden wist te tonen: Meisjes met een smalle beurs is nog steeds een van mijn favorieten, net als In het warme vossenhol, een titel die Gerard Reve had kunnen bedenken (maar niet heeft bedacht, al kwam hij wel met toppers als Een trekkend bestaan, een boek dat helaas nooit is geschreven en dus niet echt meetelt).

In een antiquariaat zag ik ooit deze prachtige titelHij nam het kruis en ging. En deze mag er ook zijn: Juf Jet heeft jeuk. Natuurlijk mogen in dit overzichtje niet ontbreken: De geheime spleetMeer poten!, herinneringen aan drie decennia luchtvaartsport, Kruis en gratie en Spaans meisje op Ameland.

Ik geef toe: het wordt snel érg melig (Gepaard met een lach) of zelfs ál te melig (In het kruis zal ‘k eeuwig roemen), maar toch is het soms ronduit wonderbaarlijk, welke schund mensen de wereld in durven helpen: Waarom nonnetjes samen klaarkomen en andere wonderen van het wad. Alsof de katholieke kerk het al niet zwaar genoeg te verduren heeft gehad…

Het is natuurlijk niet allemaal om te lachen, wat de klok slaat. Zo rustte mijn oog ooit op De zaak van de gillende vrouw en besef ik best wel dat de Friezen onlangs liever hadden willen roepen: Glijden maar.

Nu ja. Tot troost. Al moeten we allemaal Klein beginnen (een titel die ooit door de Vieze Man is besmoezeld), Hoger en hoger… gaat de raket.

Het meeste plezier beleefde ik, in mijn jonge jaren tussen mijn achtste en twaalfde, aan het lezen van boeken waarin wieleruitslagen werden verzameld. Zo leerde ik spelenderwijs alle winnaars van de Ronde van Frankrijk van buiten en kon ik in één oogopslag opzoeken wie, bijvoorbeeld, in 1967 derde werd in Parijs-Roubaix (Rudi Altig).

Keer op keer las ik de lijsten door. De erbij afgedrukte foto’s (in elk boek net even anders) nam ik in me op alsof het dichtregels waren. Namen van renners leerde ik van buiten: Victor van Schil (Brabantse Pijl 1968), Odiel Defraeye (Tour de France 1912) en Karel Kaers (Wereldkampioen 1934) waren me net zo vertrouwd of vertrouwder dan de namen van veel ooms en tantes die op zondag aanwaaiden, koffie dronken en weer vertrokken.

Eén keer kreeg ik het Ultieme Uitslagenboek, een Vlaamse uitgave, nóg voller met nieuwe namen (Germain Derycke, Jef Planckaert, Ferdinand Bracke) en voorzien van prachtige advertenties voor mij onbekende merken als Gitanes, Martini en Faema. Het was een rood boek en er stond alles in. Later raakte ik het kwijt. Ik heb het hele huis drie keer van onder tot boven doorzocht, maar het nooit teruggevonden.

Nog steeds herken ik de kracht en de schoonheid van lijsten vol nummers 1, 2 en 3 (eventueel uit te breiden tot en met 10 of 20). Wikipedia heeft, als er even geen boek voorhanden is, voor de ware fetisjist een oneindige zee vol André Dierickx (GP Pino Cerami 1970) of Osvaldo Bailo (Giro del Lazio 1942) ter beschikking gesteld. Voordat ik het doorheb, en als ik niet oppas, zit ik uren achter elkaar te zoeken en te lezen, van wedstrijd naar wedstrijd, van renner naar renner, van kampioenschap naar kampioenschap.

De lezer die ik was tussen mijn achtste en twaalfde is niet verdwenen.

Want het zijn de aan het mythologische rakende verhalen die de wielersport maken, maar over honderd jaar weten we allemaal nog dat Servais Knaven in 2001 Parijs-Roubaix won en dat Johan Musseeuw tweede werd. We weten dan niet meer waaróm Musseeuw zich opofferde en tweede wérd, dat verhaal is verdwenen achter de uitslagenlijst die inmiddels zélf bijna een mythologische status heeft, tenminste, voor wie er gevoelig voor is.

De Slegte is misschien wel de beste boekhandel van Nederland (en Vlaanderen). Sinds kort verkoopt men daar nieuwe boeken, maar die staan in een paar kasten verdekt opgesteld. Je hebt er nauwelijks last van. Ramsj en tweedehandsboeken, boeken die het in de reguliere tussenhandel niet haalden of die door hun baasje uit huis zijn gezet, vormen de meerderheid.

Vanmiddag zag ik tussen de in prijs opgeheven werken bijvoorbeeld het verzamelde proza van Frans Kellendonk (twee delen), een roman van de onlangs overleden Doeschka Meijsing, essays van haar nog levende broer Geerten, twee delen brieven van Fernando Pessoa en talloze meesterwerken die ik nog moet lezen.

De roman van Doeschka Meijsing had ik al gelezen, daarom kocht ik de essays van haar broer. Het niet-kopen van Kellendonk en de twee delen Pessoa kan ik nog goedmaken, tot de titels verdwijnen, uitverkocht raken of in restant worden vermalen door de papierversnipperaar. Ooit liet ik de delen Montaigne (vertaald door Hans van Pinxteren) net iets te lang staan, een paar weken maar, en toen waren ze op.

Spijt, spijt, spijt.

De dode titels die in De Slegte zijn verzameld, geven de kijker en koper het idee deel uit te maken van een kleine groep fijnproevers, die het goede boek naar waarde weet te schatten. Natuurlijk, óók in De Slegte staan literaire thrillers, streekromans, kookboeken, boeken van bekende Nederlanders en andere randgroepschrijfsels – maar de échte boeken staan er ook, en ruimer dan in de algemene boekhandel, waar de inkopers soms last lijken te hebben van een fatale en niet meer te genezen inkoop-angst.

Natuurlijk klopt wat ik hier schrijf niet allemaal, maar vanmiddag, toen ik de winkel verliet met twee boeken van V.S. Naipul en een bundel essays van Meijsing, voelde ik me even alsof ik een paar uur had doorgebracht bij boekhandel Ten Hoet in Nijmegen, de enige winkel waar ik bijna niet binnen durfde te komen, uit ontzag voor de eigenaar én de collectie.

Waarom krijg ik dat gevoel niet bij Bijleveld of Broese, de twee andere grote boekhandels in Utrecht? Vooral Bijleveld komt in de buurt van wat mijn favoriete winkel zou kunnen zijn. Maar helaas.

Wij zijn allemaal lezers op zoek naar een boek – en omdat De Slegte alleen werken offreert die dreigen te worden versnipperd als ze niet snel een boekenkast vinden, wordt de kooplust die me nu en dan overvalt er gekruid met enige delen filantropie. Ik red niet de wereld, maar wel een boek.

Met mijn dochter liep ik door de Kanaalstraat, ter hoogte van Slagerij Marokko. Ze zei: ‘Het lijkt me best leuk om criticus te zijn.’

Ik voelde me ineens helemaal leeg. Alsof mijn bloed het lichaam had verlaten, ik voelde me kortom ongeveer zoals een halal geslacht lam zich zou voelen, als het nog iets kon voelen na te zijn leeggebloed.

Wat een overdreven fysieke reactie! Waarom schrok ik van wat mijn dochter zei? Misschien, bedacht ik, omdat ik wéét hoe schrijvers (hoe de gemiddelde schrijver) over critici denken (denkt). Zo’n toekomst gun je niemand, en zeker niet je kind.

Even later, bekomen van de schrik, bedacht ik dat mijn reactie bespottelijk was. Criticus is een belangrijk beroep, misschien wel een van de belangrijkste beroepen binnen het hele weefwerk dat de literatuur is.

De schrijver schrijft, redacteuren, uitgevers en promotiemedewerkers helpen het boek op de markt, de lezers lezen en de criticus wikt en beschikt.

Zonder kritiek is de literatuur overgeleverd aan de handige jongens en meisjes die zich in de literatuur weten te rommelen. Of die het woord literatuur gebruiken als etiket voor hun gemakzuchtige schrijfsels.

Zonder kritiek geen levende literatuur.

Jammer genoeg is de kritiek of dood of heeft ze zich in kleine reservaten teruggetrokken. Het werk van de criticus krijgt op zijn best het karakter van een achterhoedegevecht, maar de meeste critici zijn niet ongelijk aan de zendelingen die proberen om een stam wilden de mobiele telefoon uit te leggen. Ongeloof en hilariteit is hun deel.

Daar dacht ik aan, terwijl we Slagerij Marokko passeerden.

‘Leuk, ja,’ zei ik tegen mijn dochter.

‘Ja, dat je een boek leest en dat je dan in een krant of tijdschrift precies uitlegt wat er goed aan is, en wat niet.’

In wezen is dat de enige juiste omschrijving van wat een criticus moet doen. Maar lang niet altijd doet, gevangen als hij is in ideologische, literair-politieke of maatschappelijke ‘structuren’.

Het leek me ineens een begerenswaardig beroep, criticus. Boeken lezen (toch het fijnste wat er is) en daarover schrijven. Ongeveer zoals een criticus vroeger, voordat de Lifestyle het cultureel- en boekensupplement uit de kranten en de bladen dreef, over boeken schreef.

‘Ik kan niet wachten op je eerste artikel,’ zei ik.

‘Maar ik ga je niet gunstig bespreken omdat je mijn vader bent,’ zei ze.

‘Weet je wat Harry Mulisch over jouw soort mensen zei? – “Vele critici moeten in het water geworpen worden.”‘

Soms wandel ik ‘s avonds. Omdat ik me toch moet bewegen, nu en dan, en omdat ik het op niets gebaseerde idee heb dat een avondlijke wandeling dubbel telt. Ik woon niet in de buurt van een bos, daarom loop ik door de nabijgelegen wijk Oog in Al. Een dorp in de stad, vol woningen uit de jaren dertig, gebouwd voor de mensen uit de net iets hogere middenstand.

Maar vanavond regent het en daarom schrijf ik in plaats van te wandelen dit stukje. In gedachten steek ik de Muntbrug over. Het park Oog in Al, naamgever van de wijk, waar het buiten van Everard Meyster nog steeds staat en tegenwoordig dienst doet als buurtbibliotheek, laat ik rechts liggen. Ik loop langs de Leidseweg, een van de mooiste straten van Utrecht, om aan het eind van het park via de Mozartlaan of de Richard Wagnerlaan de wijk in te steken.

Kies ik voor de Richard Wagnerlaan, dan kom ik aan het eind daarvan uit bij het Jochem Uytdehaageplantsoen. Links een groot, wit pand, dat volgens mij gewoon bewoond wordt, rechts Rietveldhuizen, een eiland van functionaliteit en lichtinval tussen de jaren dertig architectuur.

Aan dat park woont een oude man die zijn hele woonkamer heeft ingericht voor wat hij daar doet, tenminste, voor wat hij daar altijd aan het doen is als ik zijn huis passeer. Omdat de gordijnen van zijn huiskamer altijd open zijn, heb ik vrije inkijk en kan ik zien dat hij leest. In zijn woonkamer staat maar één lichtbron: een uit de kluiten gewassen schemerlamp die een lichtkring in de kamer werpt.

Daarin zit hij, het hoofd gebogen, boven een boek.

Het is niet mogelijk, vind ik, om aan te bellen en eens te informeren wát hij leest. Ik kan helaas niet zien met welke titels hij zijn boekenkasten, langs alle vrije muren van de kamer, en de overal hoog opgetaste stapels vult.

Misschien schrijf ik dit stukje vooral omdat ik hem, als ik niet wandel, mis. Ik heb hem vandaag niet zien zitten en ik heb niet, heel even, lichtelijk aangevreten door jaloezie, kunnen denken: ‘Daar zit hij. Hij leest.’

Wie de essays van Montaigne (1533-1592) leest, wordt teruggeworpen in de klassieke literatuur die de schrijver op zijn duimpje kent en met speels gemak door zijn teksten weeft. Tegelijkertijd geeft de schrijver op een (toen)  nieuwe en (nog steeds) onnavolgbare manier een inkijk in zijn persoonlijke denkwereld.

De essays van Montaigne vormden geen startpunt voor een school of een beweging die werkte in de geest van de auteur. Misschien is hij daar te uniek voor, te eenmalig. Of misschien ligt het nog net even anders en is Montaigne bij élke lezing nieuw, waardoor zijn teksten geen kans krijgen om te stollen.

Het werk hoort in het pantheon thuis, maar is een ongehoorzame klassieker die af en toe ontsnapt, naar buiten toe, waar de levende lezers en schrijvers wonen. De andere klassieke auteurs mogen er niets van merken. Montaigne voert dat ver door: hij zorgt er zelfs voor dat er om de zoveel tijd een ‘nieuw’ manuscript opduikt, zodat zijn werk weer helemaal moet worden herzien, herschikt en geëditeerd.

In Nederland heeft Montaigne, ondanks de beschikbaarheid van twee vertalingen, weinig invloed uitgeoefend. Nederlandse auteurs hebben niet vaak die combinatie van eruditie en speelsheid, dus het is niet verbazingwekkend dat ze die bij een ander over het hoofd zien.

Uitgeverij Van Gennep heeft met de vertaling van de biografie die Sarah Bakewell schreef – Hoe te leven, Een leven van Montaigne in één vraag en twintig pogingen tot een antwoord – een nieuwe, bewonderigenswaardige poging gedaan om de essayist opnieuw onder de aandacht te brengen.

Bakewell is docent creative writing en werkt bij de bibliotheek van de National Trust. Dat merk je aan haar schrijfstijl, die soms inderdaad wat docenterig is, iets wat ze combineert met de precisie die haar werk als bibliothecaris vereist. Ondanks dat is de biografie voor mensen die Montaigne niet goed kennen, en dat zijn er in Nederland heel veel, een aanrader, om dat lelijke woord maar eens van stal te halen.

De centrale vraag ‘Hoe te leven’ waaiert, bij Montaigne én bij Bakewell, uit naar alle terreinen die het (persoonlijke) leven betreffen. Misschien is dat ook wel de reden waarom Montaigne forever young blijft, en zijn tekst  zo beweeglijk als kwikzilver. De vraag ‘hoe te leven’ is namelijk niet te beantwoorden, maar het is wel elke keer opnieuw de moeite waard om een voorlopig antwoord te formuleren.

Aflevering 8 ging al over Aan barrels van Harry Vaandrager en Memo’s aan een niet-bestaand lief van Marinet Haitsma. Ik wil nog een keer op beide boeken terugkomen, naar aanleiding van deze recensie. Ik citeer:

“In de hedendaagse Nederlandstalige literatuur is Aan barrels hoogstens verwant met auteurs als C.C. Krijgelmans of J.M.H. Berckmans. Die uniciteit an sich maakt deze roman natuurlijk niet tot briljante literatuur – zoals een van de vele verdachtmakingen bij experimenteel proza luidt. Wel is het de vakmanschap en literaire kunde waarmee Vaandrager die schriftuur aanwendt om de lezer intellectueel uit te dagen en emotioneel vast te nemen door hem onmeedogenloos te smijten in de gestoorde, verwarde en emotioneel gebroken gevangenis van maatschappelijke randfiguren.”

Dat ik onderdeel zou zijn van “een van de vele verdachtmakingen” laat ik even voor wat het is. Ik wil me richten op de manier waarop Demeyer Vaandrager de experimentele hoek in fietst: door de manier waarop Vaandrager zijn taal organiseert, en daarmee ritme aanbrengt, te verwarren met “wijsgerige of existentiële vragen”. Demeyer probeert de vorm die Vaandrager kiest (en daarna consequent, en zeker niet slecht, invult) om te toveren tot “experimenteel”, waarbij hij, zoals altijd, of nee zoals zo vaak, het woord “experimenteel” vooral uitholt tot een over de vorm sprekend epitheton.

Op dezelfde manier kun je Memo’s voor een niet-bestaand lief experimenteel noemen, omdat Haitsma óók verwant is met bijvoorbeeld Berckmans, die een niet-aflatende gedachtenstroom op de mensheid losliet, in een particuliere, niet altijd even “schone” taal – net als Haitsma.

Een begrip als “experimenteel” is volgens mij hol geworden, niet meer te gebruiken in het gesprek over literatuur. De een gebruikt het als keurmerk, de ander om er mee te sneren. Maar het woord zegt niets meer over boeken, over literatuur – het wil alleen polariseren. Dat is jammer, en dat is één van de redenen waarom de literaire kritiek is uitgehold. De taal waarvan zij zich bedient is, als door houtwormen, molm geworden.

Waarom Vaandrager en Haitsma, beiden wonend in Rotterdam, niet samengebracht in één recensie? Want het zijn allebei boeken die niet de gebaande paden bewandelen én ze vertellen een verhaal dat “anders” is. Misschien soms wel experimenteel.

Als iemand het heeft verdiend om onder nummer 13 op te duiken in deze rubriek, dan is het Jan Kostwinder wel. De schrijver en dichter had een bijzondere verhouding tot het ongeluk. Dat wil zeggen: hij trok het aan, zoals een magneet ijzervijlsel. Maar hij stormde er ook op af, zoals een deelnemer aan de nieuwjaarsduik op de Noordzee. Zonder om te kijken, in de wetenschap dat het koud zal worden.

Jan. Geprezen zij zijn naam, maar jezusmarie, wat een lastpak was hij soms. Voor zichzelf, voor zijn omgeving, voor alles en iedereen. Jan was niet het type dat rustig in een hoekje ging zitten wachten tot iemand zich aan hem begon te ergeren. Hij lokte die ergernis bij voorkeur al met vooruitwerkende kracht uit. Dan was dat maar alvast gebeurd en kon hij zich de rest van de tijd, die hij anders misschien in ledigheid had doorgebracht, vastbijten in een grimmige, uitzichtloze, heerlijke polemiek. Want waar voor de een het ‘mijn spelen is leren’ opgaat, daar had Jan als adagium ‘mijn schrijven is strijden’.

Ik was oprecht op Jan, zowel op de persoon als op zijn werk. Van dat werk is, denk ik, het proza net een (flinke) slag geslaagder dan de poëzie, al heeft hij mooie gedichten geschreven. Albert Hagenaars publiceerde vandaag een beschouwing over Jans verzamelde gedichten op zijn weblog, daarin zit ook enige ambivalentie jegens het poëtische oeuvre.

Jans verhalenbundel en zijn roman zijn helaas “uitverkocht”. Een herdruk ligt, de huidige markt overziend, niet voor de hand. Misschien zou een digitale uitgave wel wat zijn. Daarin kunnen dan ook de nooit verschenen brieven eventueel worden verwerkt. Er ligt nog een mooie taak voor iemand, om een boek te maken, of een website, de Complete Kostwinder.

Het is geen gemakkelijk werk, je bezig houden met Kostwinder. Daar kan ik uit eigen ervaring van getuigen. Toen Hein Aalders en ik het verzamelde dichtwerk samenstelden, werden we allebei nogal eens, tsja, droevig. Omdat Kostwinder het hele leven zo genadeloos uit de bocht had laten vliegen. Zoveel talent, en er dan zo weinig mee (kunnen) doen. De schaduw van een niet, of net niet ingeloste belofte lag donker over onze werkzaamheden heen.

Jan Kostwinder was niet voor het geluk geboren, zelfs niet voor postuum (literair) geluk. Hier zou ik een passage moeten inlassen over die ellendige rechtvaardigheid – die niet opduikt als je er het meest behoefte aan hebt. Maar ja. Waarom?

De afgelopen week las ik twee romans van hedendaagse Nederlandse auteurs. Grip van Stephan Enter en De schrijver en zijn meisjes van Peter Drehmanns. Ik vond het allebei, om verschillende redenen, heel goede boeken.

Van de twee is Enter is de behoedzaamste stilist, die goedlopende zin na goedlopende zin aan de lezer voorschotelt. Hij formuleert bedachtzaam, elegant en met een schijnbaar groot gemak; maar het is altijd de schrijver die de touwtjes in handen houdt en die de lezer voortleidt aan de halsband van zijn stijl. Enter wikt, en de lezer krijgt te zijner tijd te horen wanneer hij mag beschikken. Op de website van boekhandel Athenaeum staat een voorpublicatie en ik citeer vrij willekeurig een zin:

“Dat was bijzonder aan Lotte – dat ze continu sarcastisch was en dan zo’n opmerking kon maken zonder zelf sarcasme over zich af te roepen. En dat kwam niet doordat ze het al met voorbehoud of ironie bracht, integendeel: ze had iets kinderlijk theatraals en ijdels over zich als ze zoiets zei – haar stem ging omhoog en je hoorde haar woorden trillen. Maar op de een of andere manier voelde je aan, ook al had je haar nog maar net ontmoet, dat die incidentele pathetiek echt was en bij haar hoorde; dat haar gevoelsleven opeens als een zenuw blootlag.”

Mooi. Bij vlagen perfect. Maar de schrijver spreekt tot ons, we worden niet het verhaal in geduwd (of getrokken).

Drehmanns pakt het anders aan. We krijgen een inkijkje in het geestelijke leven van de wat mopperachtige schrijversfiguur Mark Gerstenberg, iemand die het niet getroffen heeft met de huidige modes in het literaire bestel. Gerstenberg kankert er vrolijk op los. Niet altijd even genuanceerd (maar waarom zou hij?) en zeker niet altijd even redelijk. Redelijkheid is meer iets voor, tsja, andere mensen.

Die mensen die de hel bevolken.

Een citaat: “De wereld lag overhoop, crisissen bij de vleet, vulkaanuitbarstingen, digitale revoluties en olievlekken wijd en zij, neofascisten, bankbonzen en reclametuig alom aan de macht, de snuitkever was bezig aan een verwoestende opmars, de huizenmarkt stortte daarentegen geheel in, het aantal depressies rees de pan uit, vrouwen die erop los ‘vlinderden’, kerels die bij bosjes door hun prostaat werden geveld, kinderen die zich niets meer lieten zeggen, de ene familiemoord na de andere – en hij wist niet meer waarover hij moest schrijven, kreeg geen letter op papier, geen format uit zijn kop geperst, voelde zich behalve met zijn zaadstreng nergens mee verbonden.”

Enter kiest voor “afstand”, Drehmanns moppert en ronkt er (soms vrolijk) op los. Die twee benaderingswijzen leveren allebei een goed boek op. Dat is een kwestie van het onbenoembare, dat talent heet. Dat leverde Enter nu een succesboek op, en ik vind dat Drehmanns hetzelfde verdient.

Oudere Berichten »

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 341 other followers